Hoofdstuk 6Gebieden

Havens Noordzeekanaal, Amsterdam, 2018

De voorkeursstrategieën zijn door herijking van het Deltaprogramma in 2020 weer up-to-date. De implementatie gaat overal op volle kracht verder. Dit hoofdstuk laat de voortgang zien.

6.1Inleiding

De volgende paragrafen geven per gebied de voortgang van de implementatie van de voorkeursstrategie voor de drie opgaven van het Deltaprogramma: waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie. Een volledig overzicht van de geplande maatregelen voor waterveiligheid en zoetwater in de komende jaren is te vinden in de Deltaplannen voor deze opgaven (zie paragraaf 3.4 en 4.4).

Het onderstaande kader geeft de voortgang van het traject Toekomstbestendig watersysteem Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaal-gebied. Sinds begin 2019 werken waterbeheerders en provincies in dit programma - in verbinding met het Deltaprogramma - aan een toekomstbestendig watersysteem voor het gebied Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaal.

Toekomstbestendig watersysteem Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaal-gebied (TB)

Het traject TB heeft twee doelen: de waterinfrastructuur robuuster maken en bepalen hoe water op de juiste strategische keuzemomenten (mede) sturend kan worden in het ruimtelijk systeem. TB brengt kansrijke waterinfrastructuur in beeld, inclusief ruimtereserveringen om besluiten in de toekomst mogelijk te houden, en de impact van huidige en toekomstige functies op het watersysteem.

Voortgang

In 2020 hebben de partijen onderzocht wat mogelijke locaties zijn voor toekomstige gemalen, om voldoende water af te kunnen voeren naar het IJsselmeergebied en de Lek. Ook hebben ze in beeld gebracht in hoeverre het mogelijk is het calamiteitenpeil op het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal te verhogen van NAP naar NAP +0,20 m. Verschillende andere onderzoeken lopen nog. Deze onderzoeken geven onder meer inzicht in de impact van zeespiegelstijging op de bestaande spui- en pompcapaciteit, mogelijke locaties voor waterberging en het effect van ruimtelijke inrichting en klimaatverandering op de watervraag en waterafvoer in polders.

Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

De partijen die aan het TB-programma werken, werken actief samen vanuit een netwerkstructuur, onder meer met het Deltaprogramma (onder andere via de werkregio's Ruimtelijke adaptatie), het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, het programma voor vervanging en renovatie van het gemaal en het spuicomplex bij IJmuiden en de Metropoolregio Amsterdam (project Resilience by Design). TB heeft onder meer belangrijke input geleverd voor de verstedelijkingsstrategie van de Metropoolregio Amsterdam, de omgevingsvisies van gemeenten en provincies in Noord-Holland en Utrecht en het gedachtegoed van het Nationaal Waterprogramma. De komende tijd blijft TB werken aan verbinding, door de wateropgaven en de sturende rol van water onder de aandacht te brengen aan nieuwe overlegtafels.

Nieuwe inzichten en signalen

Het ARK-NZK-systeem zit aan zijn grenzen, voor de waterafvoer, de zoetwaterbeschikbaarheid en verzilting. De uitval van een van de pompen in IJmuiden in 2020 liet zien hoe kwetsbaar het systeem is en hoe noodzakelijk extra maatregelen voor de waterafvoer zijn. Tijdens de droge zomers was het ARK kwetsbaar voor zoutindringing. Op (lange) termijn kunnen in deze regio steeds meer uitdagingen ontstaan door het faciliteren van zowel scheepvaart als zoetwaterfuncties. TB probeert de effecten en mogelijke oplossingen in beeld te brengen.

De opgaven voor de ruimtelijke inrichting en het gebruik van het ARK-NZK-gebied en de belangen die daarmee samenhangen zijn groot. Alle opgaven en belangen concurreren om dezelfde ruimte. De speelruimte voor het waterbeheer is te klein om de gevolgen van klimaatverandering en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op te vangen. TB brengt effecten en oplossingen in beeld en agendeert deze, maar het is nu al duidelijk dat juist in dit gebied de wateropgaven (mede) sturend moeten zijn bij beslissingen over het ruimtegebruik. Er zijn klimaatbestendige oplossingen nodig, waaronder zoveel mogelijk lokale maatregelen om water vast te houden. Ook is het nodig nu al ruimte te reserveren om het watersysteem goed te kunnen laten functioneren.

Naast het project Resilience by Design (Metropoolregio Amsterdam) en het Programma Duurzame Gebiedsontwikkeling Amsterdam heeft ook TB begin 2021 resultaten ingebracht in de regiosessie Zeespiegelstijging Centraal Holland van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. In de sessie gingen circa 50 deelnemers van gemeenten, waterschappen, provincies (ruimtelijke ordening en water), veiligheidsregio's, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Wereldnatuurfonds en investeerders in gesprek over de wateropgaven voor de lange termijn. De deelnemende partijen zien de noodzaak om bij beslissingen over de ruimtelijke inrichting, zoals voor woningbouw, meer rekening te houden met de toekomstige wateropgaven. Ze hebben behoefte aan praktische handvaten en voorbeelden om dit in ontwerpen te vertalen.

6.2IJsselmeergebied

Drie droge zomers hebben veel nieuwe inzichten gegeven in de vraag naar zoetwater uit het IJsselmeergebied. Het belang van deze grootste zoetwaterbuffer van Nederland is nog eens onderstreept, maar het is ook duidelijk dat klimaatverandering, ontwikkelingen in het rivierengebied en nieuwe watervragers de zoetwaterbuffer onder druk zetten. Voor waterveiligheid is meer kennis nodig over de effecten van maatregelen in het hoofdsysteem op de omliggende regio's. Deltaprogramma IJsselmeergebied gaat hiermee aan de slag.

6.2.1 Voortgang: uitvoering voorkeursstrategie IJsselmeergebied

Waterveiligheid

Regionale uitwerking ISWP

In de herijkte deltabeslissing IJsselmeergebied is opgenomen dat pieken in het meerpeil na 2050 worden beheerst door de inzet van pompen en een gematigde peilstijging. Dit is gedaan op basis van de Integrale Studie Waterveiligheid en Peilbeheer (ISWP). Deze studie, die in 2019 is afgerond, laat zien wat de effecten zijn van een eventuele stijging van het waterpeil in het IJsselmeergebied na 2050. Voor het hoofdwatersysteem is dit kwantitatief gedaan, voor de regionale watersystemen kwalitatief. Vanaf 2022 brengen de partijen in Deltaprogramma IJsselmeergebied met een scenariostudie de regionale effecten van een eventuele peilstijging zoveel mogelijk kwantitatief in beeld. Daarbij worden ook veranderingen in de regio - zoals veranderingen in de waterafvoer - vertaald in effecten voor het IJsselmeergebied.

Pompcapaciteit Afsluitdijk

De vertraging bij de bouw en renovatie van de spuisluizen in het project Afsluitdijk (zie paragraaf 3.1) heeft geen negatieve gevolgen voor de waterafvoer van het IJsselmeergebied naar de Waddenzee, ook niet op de korte termijn. Een belangrijk onderdeel van het project Afsluitdijk voor de waterveiligheid in het IJsselmeergebied is het plaatsen van pompen als aanvulling op de spuicapaciteit. De pompen zijn nodig om het winterpeil van het IJsselmeer in ieder geval tot 2050 op het huidige niveau te houden ('spuien als het kan, pompen als het moet'). Oorspronkelijk (DP2015) zou de benodigde pompcapaciteit geleidelijk tot stand komen, maar met het project Afsluitdijk komt in één keer de volledige pompcapaciteit beschikbaar in de spui- en sluiscomplexen bij Den Oever.

Dijkversterking

De dijkversterkingen rond het IJsselmeergebied liggen op schema (zie Deltaplan Waterveiligheid, paragraaf 3.4). In 2020 is de versterkte Houtribdijk opgeleverd. De dijk voldoet nu aan de nieuwe normen voor waterveiligheid en draagt bij aan de bescherming tegen overstromingen in een groot gebied rond het IJsselmeer en het Markermeer (zie ook paragraaf 6.2.2).

Kennisprogramma zeespiegelstijging

Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging moet ook voor het IJsselmeergebied antwoord geven op de vraag hoe lang de huidige voorkeursstrategie houdbaar is en welke adaptatiestrategieën mogelijk zijn. Het kennisprogramma richt zich daarbij op het hoofdwatersysteem en de gevolgen voor de zoetwaterbeschikbaarheid op lange termijn. De partijen in het IJsselmeergebied ontwikkelen kennis over de regionale effecten. Omdat het hoofdsysteem en de regionale watersystemen onlosmakelijk verbonden zijn, gaat het Deltaprogramma IJsselmeergebied deze trajecten van kennisontwikkeling verbinden.

Zoetwater

Waterverdeling regio IJsselmeergebied

Eind 2021 komt het 'Kaderdocument Waterverdeling Regio IJsselmeergebied' gereed, als resultaat van een intensief proces met zeventien partijen. Het kaderdocument geeft de onderbouwing voor geactualiseerde afspraken uit 2009 over de waterverdeling in de regio IJsselmeergebied en is daarmee zowel naslagwerk als draaiboek in tijden van droogte. Het kaderdocument bouwt voort op kennis­producten van Slim Watermanagement IJsselmeergebied, zoals verbeterde data, handelingsperspectieven en de redeneerlijn droogte. Met dit kaderdocument krijgt een belangrijk advies van de Beleidstafel Droogte invulling. Partijen hebben de intentie de belangrijkste afspraken vast te leggen in een water­verdelingsakkoord. De aan­bevelingen uit het kaderdocument worden benut in het Deltaprogramma IJsselmeergebied, Slim Watermanagement en de Zoetwaterregio Noord-Nederland.

 

Voortgang maatregelen Deltaplan Zoetwater fase1

In de zoetwaterregio's die een relatie hebben met het IJsselmeergebied ligt de uitvoering van zoetwatermaatregelen grotendeels op schema. De meeste maatregelen zijn klaar. De regio's hebben maatregelpakketten voor de tweede fase van het Deltaplan Zoetwater opgesteld, zoveel mogelijk in samenhang met maatregelen voor de waterkwaliteit. Bij de uitwerking en uitvoering benutten de partijen waar mogelijk de gebiedsprocessen en risicodialogen voor het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie.

Waterbeschikbaarheid

In de zoetwaterregio's lopen verschillende gebieds­processen voor Waterbeschikbaarheid (zie paragraaf 4.4). De maatregelen die Rijkswaterstaat in het hoofdwater­systeem heeft getroffen staan in hoofdstuk 4.

6.2.2 Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

Klimaatverandering

Klimaatverandering gaat in de loop van deze eeuw belangrijke aanvullende randvoorwaarden stellen voor het peilbeheer in het IJsselmeergebied. Maar klimaatverandering speelt ook nu al een rol, bijvoorbeeld bij opgaven voor verstedelijking, energietransitie, natuur, ecologische waterkwaliteit en economische ontwikkeling. Deze opgaven kunnen bovendien een grote ruimtelijke impact hebben en daarmee gevolgen hebben voor de zoetwatervoorraad en de waterveiligheid. Het spanningsveld tussen 'ruimtevragers' en waterbeheer in het IJsselmeergebied wordt daarmee steeds groter. Het Bestuurlijk Platform IJsselmeergebied (BPIJ) overweegt een ruimtelijke analyse uit te voeren in het kader van de Gebiedsagenda IJsselmeergebied, met de voorkeursstrategie als uitgangspunt, om dit spanningsveld in beeld te brengen en een samenhangende aanpak van ruimtelijke opgaven te borgen.

Energietransitie

Energietransitie is een belangrijke opgave in het IJsselmeergebied. Hierbij spelen veel partijen en invalshoeken een rol. Het BPIJ heeft de Regionale Energiestrategieën (RES-en) besproken en hierover geadviseerd met de integrale insteek van de Gebiedsagenda IJsselmeergebied. Dit blijft het BPIJ de komende tijd doen.

Integraal Riviermanagement (IRM)

In 2020 heeft het Deltaprogramma IJsselmeergebied - via het BPIJ - gereageerd op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het MER van IRM (zie paragraaf 6.4.1). Het BPIJ heeft voorgesteld het IJsselmeer op te nemen als effectgebied, zodat eventuele nadelige en gunstige gevolgen voor het IJsselmeer(gebied) in beeld zijn bij bestuurlijke besluitvorming. Het voorkeursalternatief IRM komt volgens planning in 2023 gereed, inclusief de consequenties van nieuwe uitgangspunten voor de afvoerverdeling over de Rijntakken (onder meer voor de aanvoer van water via de IJssel naar het IJsselmeer).

Dijkversterking combineren met andere opgaven

De recente versterking van de Houtribdijk (zie paragraaf 6.2.1) is gecombineerd met werkzaamheden voor waterkwaliteit en natuur. Langs een deel van de dijk helpen brede zandige oevers de waterkwaliteit te verbeteren, wat bijdraagt aan een toekomstbestendig ecologisch systeem in het Markermeer. Deze oplossing is hier voor het eerst toegepast in een zoetwatergebied zonder getij. Rijkswaterstaat onderzoekt de komende jaren samen met de TU Delft hoe de oevers zich ontwikkelen, zodat deze innovatie nationaal en internationaal breder toepasbaar wordt. Naast de dijk is het Trintelzand aangelegd, een nieuw natuurgebied van meer dan 500 hectare.

Provincie Noord-Holland heeft eind 2020 met andere partijen het Ambitieprogramma Ruimtelijke Kwaliteit Kustzone Hoorn-Amsterdam opgesteld. De organisaties zetten zich in voor integrale versterking van de Markermeerdijken met meerwaarde voor de ruimtelijke kwaliteit. De dijkversterking wordt benut om de woon-, werk- en recreatieomgeving te verbeteren en de natuur­kwaliteit en de cultuurhistorische waarden te versterken. Voor de cultuurhistorische waarden worden de expertise en de producten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed benut.

Wieringerhoek

In het project Wieringerhoek komen verschillende opgaven voor het IJsselmeergebied samen. Het project is onderdeel van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Door natuurlijke overgangen te creëren wordt de ecologische verbinding tussen het IJsselmeer, de achteroevers en de Waddenzee sterker. Het project draagt ook bij aan de bescherming van de zoetwatervoorraad in dit deel van het IJsselmeer door zoutindringing te verminderen. Hiervoor is een zoutmodel ontwikkeld dat ook bijdraagt aan kennisontwikkeling in het Deltaprogramma IJsselmeergebied. In het project worden meekoppelkansen en initiatieven van derden onderzocht op het gebied van energie, natuur, klimaatadaptatie en recreatie.

Oostvaardersoevers

Met het PAGW-project Oostvaardersoevers krijgt het Markermeer een verbinding met de Oostvaardersplassen en de Lepelaarplassen. Hierdoor ontstaat een toekomst­bestendig ecosysteem: vitaal, gevarieerd en robuust genoeg om onder meer klimaatverandering, verstedelijking en toenemende recreatie op te vangen. Het doel is om de verbinding tot stand te brengen met innovatieve waterbouw, zodat het merengebied aantrekkelijker, beleefbaarder en veiliger wordt. In 2021 heeft Rijkswaterstaat samen met de regionale partners gewerkt aan een voorstel voor een voorkeursalternatief.

6.2.3 Signalen en nieuwe inzichten

Joint Fact Finding robuustheid IJsselmeergebied

De Joint Fact Finding robuustheid IJsselmeergebied - gestart naar aanleiding van de Beleidstafel Droogte - heeft in 2020 meer inzicht gegeven in de zoetwaterbeschikbaarheid via het hoofdwatersysteem en de regionale watersystemen en de watervraag van gebruikers. Daarbij is rekening gehouden met de relatie tussen peilhandhaving, waterkwaliteit en de bedrijfszekerheid in de drinkwatervoorziening. De studie maakt duidelijk waar knelpunten zijn. In de huidige situatie (Deltascenario Huidig) is er voldoende zoetwater om in de totale watervraag te voorzien (waterkwantiteit). Tijdens een (extreme) periode van droogte kan het hoofdwatersysteem één tot twee maanden voorzien in de totale huidige waterbehoefte, afhankelijk van onder meer de uitgangssituatie en de watervraag. Bij snelle klimaatverandering en grote sociaaleconomische groei (Deltascenario Stoom2050) is er in vijf tot tien jaar per eeuw te weinig water in het hoofd­watersysteem beschikbaar. Het tekort bedraagt dan 5 tot 25% van de totale watervraag. In deze analyses is geen rekening gehouden met de (grote) watervraag voor het spuien bij de Afsluitdijk om verzilting van het IJsselmeer tegen te gaan. De studie krijgt een vervolg in Deltaplan Zoetwater fase 2 met een studie naar optimale verziltingsbestrijding in het IJsselmeer.

Nieuwe watervragers, toename zoetwatergebruik

Recente gegevens laten zien dat de zoetwatervraag in het voorzieningengebied is toegenomen. De verwachting is dat de watervraag verder toeneemt. Overheden en zoet­watergebruikers hebben naar aanleiding van de droogte in de afgelopen zomers de actuele watervraag van verschillende functies in beeld gebracht. Daaruit blijkt dat nieuwe (economische) ontwikkelingen tot extra watervraag leiden, onder meer door toenemende beregening en koelwatergebruik en watergebruik voor het tegengaan van bodemdaling. Ook datacentra en de waterstofeconomie zijn onvoorziene nieuwe gebruikers van de zoetwatervoorraad. Dit is ook geconstateerd in de Joint Fact Finding robuustheid IJsselmeergebied.

Nieuwe inzichten in de zoetwaterbuffer

Drie opeenvolgende droge zomers hebben het belang van de zoetwaterbuffer in het IJsselmeergebied onderstreept, maar nieuwe inzichten laten ook zien dat deze buffer kwetsbaar is:

  • Een studie voor het Programma Integraal Riviermanagement (zie paragraaf 6.4) heeft in 2020 laten zien dat de zoetwateraanvoer via de IJssel bij lage Rijnafvoer nu al minder is dan gedacht en in de toekomst verder kan afnemen als de bedding van de Waal blijft eroderen.
  • De ervaringen leren dat het goed mogelijk is het waterpeil van het IJsselmeer en Markermeer in het voorjaar op te zetten. In de zomer is het lastiger dan gedacht het peil bijtijds op te zetten in tijden van droogte, omdat de IJsselafvoer slechts kort van tevoren te voorspellen is.
  • De zoutindringing bij de Afsluitdijk is tijdens droogte veel groter dan gedacht en neemt verder toe door vergroting van schutsluizen en zeespiegelstijging. Verdieping van scheepvaartgeulen kan ertoe leiden dat het zout zich sneller verspreidt in het IJsselmeer. Om het water zoet genoeg te houden, kan het nodig zijn meer te spuien, maar daardoor neemt de watervraag toe.
  • Om CO2-uitstoot van veengebieden te verminderen, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord, werkt de regio aan strategieën met hogere grondwaterstanden. Dit legt extra beslag op de zoetwaterbuffer van het IJsselmeer. Ook andere nieuwe watervragers doen een beroep op de zoetwaterbuffer (zie hierboven).

Deltaprogramma Zoetwater heeft met deze inzichten een gevoeligheidsanalyse/stresstest uitgevoerd (zie ook paragraaf 4.3). Daaruit blijkt dat de kans op watertekorten fors toeneemt tot eens in de vijf jaar in 2050, uitgaande van de verwachte klimaatverandering. De inzet van de deltabeslissing IJsselmeergebied is het zoetwateraanbod en de vraag naar zoetwater in het voorzieningengebied van het IJsselmeergebied in evenwicht te houden, zodat de zoetwatervoorraad tot na 2050 ook in droge perioden in de watervraag kan voorzien.

De nieuwe inzichten maken het nodig opnieuw te zoeken naar een evenwicht, door zowel het aanbod als de vraag aan te passen. Daar zijn verschillende mogelijkheden voor. Het aanbod is bijvoorbeeld te beïnvloeden via de bodemligging van de Rijntakken, waardoor de waterverdeling verandert (in afstemming met Integraal Riviermanagement, zie paragraaf 6.4). Ook de uitwerking van de toekomst­bestendige zoetwatervoorziening van het hoofdwatersysteem kan kansen bieden, bijvoorbeeld door meer water via het Amsterdam-Rijnkanaal naar het Markermeer te brengen. Deltaprogramma IJsselmeergebied gaat de komende jaren in nauwe samenwerking met onder meer Deltaprogramma Zoetwater, Gebiedsagenda IJsselmeergebied en IRM aan slag om de mogelijkheden en oplossingen met betrokken partijen te bespreken.

Een aandachtspunt zijn de verschillende ideeën voor eilanden in het IJsselmeergebied, onder meer voor natuur, woningbouw en energieopwekking. Eilanden gaan ten koste gaan van de buffercapaciteit. De wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de zoetwaterbuffer is onderdeel van vervolgstudie.

6.3Rijn-Maasdelta

De deltabeslissing Rijn-Maasdelta gaat over keuzes in het hoofdwatersysteem die gevolgen hebben voor de gehele Rijn-Maasdelta: de bedijkte Maas, de Rijntakken, het benedenrivierengebied tot aan de monding van de rivieren in zee, en de noordelijke bekkens van de Zuidwestelijke Delta

Advies ENW over afvoerverdeling

De verdeling van Rijnwater over de Rijntakken bij hoog­water is vastgelegd in beleid. Onderdeel van de delta­beslissing Rijn-Maasdelta (Deltaprogramma 2015 en herijkt in Deltaprogramma 2021) is dat de huidige beleidsafspraken tot 2050 in stand blijven en dat het Rijk gaat onderzoeken of er aanleiding is de verdeling na 2050 te wijzigen en de optie daarvoor open te houden. In Deltaprogramma 2019 is geconstateerd dat er op basis van kosteneffectiviteit geen aanleiding is om het beleid na 2050 te wijzigen, maar dat het wel verstandig is de optie open te houden. Begin 2021 heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) advies gevraagd aan het Expertisenetwerk Waterveiligheid (ENW) over de toekomst van de afvoerverdeling en de bestaande beleidsafspraken.

Er zijn verschillende redenen om de beleidsafspraken tegen het licht te houden. Onderdeel van de beleidsafspraken is dat er niet meer water via de Lek wordt afgevoerd als de maatgevende hoogwaterafvoer door klimaatverandering toeneemt. Door de introductie van de overstromings­risicobenadering in 2017 is echter geen sprake meer van één maatgevende afvoer. Het hele afvoerbereik speelt nu mee bij het beoordelen en ontwerpen van de primaire waterkeringen, ook afvoeren groter dan de voormalige maatgevende afvoer van 16.000 m3/s. De vraag is wat dat betekent voor het beleid 'Lek ontzien'. Ook is het de vraag of de gehanteerde uitgangspunten en overwegingen bij het beleid 'Lek ontzien' nog steeds valide zijn in het licht van de overstromingsrisicobenadering (toekomstgericht en klimaatrobuust ontwerpen). Tot slot blijkt uit recent onderzoek* dat met het huidige beleid, zonder aanvullende maatregelen, de regelwerken die de afvoerverdeling sturen in de toekomst tegen de grenzen aanlopen van hun regel­bereik. Dat leidt tot de vraag welke aanvullende maat­regelen mogelijk zijn, inclusief eventuele aanpassing van het beleid 'Lek ontzien'.

Het ENW-advies wordt in juli 2021 verwacht. Het advies vormt input voor het ontwerp van alternatieven in het kader van IRM: maatregelpakketten om de doelstellingen van het IRM-programma te realiseren (zie ook 6.4).

6.4Rijn en Maas

De eerste herijking van de voorkeursstrategie voor Rijn en Maas verloopt via het programma Integraal Riviermanagement, een Programma onder de Omgevingswet. Het doel is de opgaven voor waterveiligheid, natuur en waterkwaliteit, bevaarbaarheid, zoetwaterbeschikbaarheid en ruimtelijke en economische ontwikkeling in samenhang aan te pakken. Daarmee wordt IRM een voorbeeld van een integrale deltastrategie. In 2020/2021 zijn verschillende bouwstenen gereedgekomen. Ondertussen gaat het werk aan de waterveiligheid door, met dijkversterkingen en rivierverruiming.

6.4.1 Toewerken naar een nieuwe voorkeurs­strategie

Intentieverklaring IRM

Eind 2019 heeft de Stuurgroep Integraal Riviermanagement het plan van aanpak voor het programma vastgesteld. Na een druk bezochte startbijeenkomst begin 2020 is het werk- en participatieproces in digitale vorm verdergegaan.

Op het Deltacongres van 2020 is de intentieverklaring Integraal Riviermanagement (IRM) gepresenteerd. De verklaring is ondertekend door de minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), mede namens de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK), de deltacommissaris en de voorzitters van de Deltaprogramma's Rijn en Maas. Met de intentie­verklaring verankeren zij de gezamenlijke ambities. Regionale overheden, koepelorganisaties en andere stakeholders zijn uitgenodigd zich aan te sluiten om een brede gezamenlijke basis te creëren voor IRM.

Aanpak laagwater/bodemknelpunten

Bij laagwater zijn de grote rivieren op verschillende plaatsen te ondiep voor de scheepvaart, terwijl het Klimaatakkoord en de Europese Green Deal juist inzetten op scheepvaart als transportmodaliteit. Het Rijk heeft in het Mobiliteitsfonds € 100 miljoen gereserveerd om deze bodemknelpunten op te lossen. Daarvoor worden concrete projecten uitgewerkt in samenhang met andere opgaven in het rivierengebied.

Bouwstenen herijkte voorkeursstrategie

Het voorkeursalternatief voor het Programma IRM is volgens planning in 2023 gereed en vormt dan de herijkte voorkeursstrategie voor Rijn en Maas. In 2020 en 2021 zijn de verschillende bouwstenen beschikbaar gekomen:

  • Notitie Reikwijdte en Detailniveau van IRM (2020): de notitie signaleert onder meer dat beleidskeuzen nodig zijn voor de afvoercapaciteit en de bodemligging van de Rijntakken en de Maas.
  • Rapportage Beeld op de Rivieren (2021): het rapport geeft een gelijkwaardiger positionering van functies en thema's in en langs de rivier. Dit is het resultaat van gezamenlijke ontwerpsessies.
  • Nota Realistische Beleidsopties (2021): deze nota geeft aan in welke mate de verschillende beleidsopties voor rivierbodemligging en afvoercapaciteit haalbaar zijn.
  • Systeembeschouwing deel 1 (2021): hierin staat wat nodig is om het watersysteem ook in de toekomst duurzaam te laten functioneren.
  • Ecologische systeemopgave (2021): hierin staat wat nodig is voor een robuust en ecologisch gezond riviersysteem.

Op dit moment werken de partijen aan kansrijke alternatieven voor de rivierbodemligging en de afvoercapaciteit. In 2022 en 2023 vindt de beoordeling van deze alternatieven plaats in het MER en de maatschappelijke kosten-baten­analyse (MKBA) en komt het voorkeursalternatief tot stand.

Pilotprojecten IRM

Om ervaring op te doen met integraal werken en scherp te krijgen welke dilemma's daaruit voortkomen, zijn in 2020 negen IRM-pilots gestart: drie langs de Rijntakken en zes langs de Maas. De leervragen van deze pilots zijn gericht op het integreren van de doelen, financieringsbronnen en planningen van de betrokken partijen. De ervaringen uit de pilots worden meegenomen bij de ontwikkeling van het Programma IRM. Een nadere toelichting op de pilots staat in paragraaf 6.4.3.

>Synthesekaart Beeld op de Rivieren
Kaart 2 Synthesekaart Beeld op de Rivieren

6.4.2 Voortgang van de uitvoering

Waterveiligheid Rijn

Een compleet overzicht van de geprogrammeerde dijkversterkingen langs de Rijn staat in het Deltaplan Waterveiligheid (zie paragraaf 3.4).

Dijkversterking Gorinchem-Waardenburg

Het dijkversterkingsproject Gorinchem-Waardenburg is in uitvoering. Het is een complexe versterking over een traject van 23 km die bovendien tegemoet komt aan verschillende maatschappelijke inpassingsvraagstukken. Het ontwerp heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het ontwerpinstrumentarium. Waterschap Rivierenland deelt de kennis die dit project oplevert binnen het HWBP. Zo heeft het waterschap in 2020 een online leerverslag over de verkennings- en de planuitwerkingsfase gepubliceerd.

Project Sterke Lekdijk

In het project Sterke Lekdijk wordt de dijk tussen Amerongen en Schoonhoven in deelprojecten versterkt. In 2020 is een overeenkomst ondertekend voor Innovatief Partnerschap. De duurzaamheidsambities zijn hoog: het streven is met emissieloos materieel te werken.

Verbetering Grebbedijk

De verbetering van de Grebbedijk is onderdeel van een gebiedsontwikkeling, waarbij de waterveiligheidsdoel­stelling samen met natuurdoelen en ambities voor recreatie, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid invulling krijgt. In de zomer van 2020 hebben de partners het voorkeursalternatief voor de gebiedsontwikkeling vastgesteld. In de planuitwerking werken de gemeenten Wageningen en Rhenen, de provincies Gelderland en Utrecht, Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en Het Utrechts Landschap samen met Waterschap Vallei en Veluwe het voorkeursalternatief verder uit. Circulariteit krijgt speciale aandacht, onder meer door voor het eerst een materialen­paspoort op te stellen voor een dijk. De planuitwerking is naar verwachting in 2024 klaar. Daarna start de realisatiefase.

Dijkversterkingen Rijn en IJssel

Waterschap Rijn en IJssel heeft in 2020 voor de dijkversterkingsprojecten Rijnkade en Grutbroek het voorkeurs­alternatief vastgesteld. De realisatie van beide projecten start in 2022. Voor het dijkversterkingsproject Westervoort-Loo is de voorverkenningsfase opgestart. Voor de dijkversterking IJsseldijk Apeldoorns Kanaal is in 2019 het voorkeursalternatief vastgesteld met twee oplossingen voor de deelgebieden: het verbreden van de bestaande dijk of een damwand in combinatie met een dijkverhoging. In 2021 wordt het projectplan Waterwet vastgesteld. De uitvoering is naar verwachting gereed in 2022.

Rivierklimaatpark IJsselpoort

In het najaar van 2020 hebben de vijf betrokken gemeenteraden de intergemeentelijke structuurvisie voor Rivierklimaatpark IJsselpoort vastgesteld en heeft de minister van IenW de MIRT-voorkeursbeslissing genomen. Op dit moment loopt de planuitwerking. Het plan bestaat uit maatregelen voor rivierverruiming, scheepvaart, water­kwaliteit (KRW), natuurontwikkeling, het stimuleren van het natuurinclusieve landbouw, herontwikkeling van het steenfabrieksterrein en recreatieve ontwikkelingen. Hiermee verbetert ook de ruimtelijke kwaliteit van het buitendijkse gebied tussen Arnhem en Giesbeek. Voor de planuitwerking heeft Rijkswaterstaat de rol van trekker namens de acht samenwerkende partijen overgenomen van provincie Gelderland. De planuitwerking is naar verwachting in 2023 klaar. Daarna start de realisatie.

Waterveiligheid Maas

Een compleet overzicht van de geprogrammeerde dijkversterkingen langs de Maas staat in het Deltaplan Waterveiligheid (zie paragraaf 3.4).

Dijkversterking Nieuw Bergen

Medio 2020 is bestuurlijk draagvlak bereikt over de ontwerp­uitgangspunten voor de dijkversterking bij Nieuw Bergen. Door te werken met een kortere levensduur (25 in plaats van 50 jaar) wordt de dijk 15 cm minder hoog. Door bovendien recente inzichten* toe te passen bij de berekening van de hoogte valt deze nog eens 20 cm lager uit. Hierdoor kunnen enkele waardevolle landschaps­elementen behouden blijven. Begin 2021 heeft het Ontwerp Projectplan Waterwet ter inzage gelegen.

Dijktraject Arcen

Voor het dijktraject Arcen gelden meerdere opgaven: een dijkversterking (HWBP), een systeemmaatregel (MIRT), beekherstel (KRW) en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het project is een voorbeeld van innovatieve participatie. In 2020 hebben de bewoners van Arcen Midden gezamenlijk het tracé van de dijkversterking door hun achtertuinen bepaald. In 2021 wordt het voorkeursalternatief met de omwonenden uitgewerkt tot een passend type kering. Het tracé en het voorkeursalternatief voor de bijbehorende systeemmaatregel in Arcen Noord zijn op een vergelijkbare manier tot stand gekomen, met bedrijven, agrariërs en omwonenden. In Arcen Zuid worden de (toeristische) kasteeltuinen beschermd en is de kering ingepast in het Natura 2000-gebied Maasduinen, samen met Stichting Het Limburgs Landschap. Aan het project werken Waterschap Limburg, Rijkswaterstaat, gemeente Venlo en provincie Limburg mee.

Dijktraject Cuijk-Ravenstein

Voor het 21 km lange dijktraject Cuijk-Ravenstein wordt momenteel de HWBP-verkenning uitgewerkt. Medio 2020 hebben de partijen in het gebied een intentieovereenkomst getekend. Doelstelling is de benodigde dijkverbetering goed in te passen en te onderzoeken of meekoppeling met aanvullende ambities voor het gebied mogelijk is, zodat extra maatschappelijke meerwaarde ontstaat. Een van de kansen die onderzocht wordt is weerdverlaging. Dit kan meerwaarde bieden voor rivierverruiming, natuurontwikkeling en delfstoffenwinning. Aandachtspunt is dat het voorland van de dijk ook belangrijk is voor de piping-opgave; dit kan de mogelijkheden voor weerdverlaging beperken. Partijen in het gebied zien ook verschillende kansen voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld door vestingstructuren in Grave (beter) zichtbaar te maken en een doorgaande fietsverbinding langs de Maas te optimaliseren. De financiering is daarbij een uitdaging. Het waterschap werkt samen met de omgeving, waaronder bewoners, belangengroepen, terreinbeheerders, vier gemeenten, provincie en Rijkswaterstaat, in stappen toe naar een voorkeursalternatief dat eind 2022 vastgesteld wordt.

Dijktraject Thorn-Wessem

Eind 2020 heeft Waterschap Limburg, in afstemming met de minister van IenW, het voorkeursalternatief voor het project Thorn-Wessem vastgesteld. Het project bestaat uit een dijkversterking, een systeemmaatregel en beekherstel. In 2021 is gestart met het plan van aanpak voor de planuitwerkingsfase. Zodra de dijk veilig is, komt de status rivierbed voor het gebied tussen Thorn en Wessem te vervallen en wordt een langjarig begrensde gebiedsontwikkelruimte van toepassing (zie Beleidsuitwerking rivierbed Maasvallei). Hiermee krijgen bedrijven en bewoners meer ontwikkel­mogelijkheden, na jarenlange onduidelijkheid.

Gebiedsplan Baarlo-Hout-Blerick

Eind 2020 hebben de bestuurders een voorkeursalternatief voor Baarlo-Hout-Blerick gekozen. Het bestaat uit een gebiedsplan waarin dijkversterking, een systeemmaatregel, beekherstel en een ruimtelijke kwaliteitsslag voor het gebied worden uitgewerkt. In 2021 is de planuitwerking van de dijkversterking gestart. De betrokken partijen leggen in een bestuursovereenkomst afspraken vast over de governance, financiering en risicoverdeling. Bewoners en ondernemers in het gebied hebben intensief meegedacht over de plannen. Daardoor is er breed draagvlak, ondanks het feit dat meerdere woningen zullen moeten wijken voor de plannen. Naar verwachting stellen Waterschap Limburg, het ministerie van IenW, provincie Limburg en de gemeenten Venlo en Peel en Maas het voorkeursalternatief in 2021 definitief vast.

Meanderende Maas

De gecombineerde HWBP/MIRT-Verkenning Meanderende Maas startte in 2017 met een integraal plan voor dijk­versterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkelingen voor onder meer natuur, cultureel erfgoed, beroepsvaart en recreatie. De provincies Gelderland en Noord-Brabant hebben het plan planologisch geborgd in een Interprovinciale Structuurvisie. In 2020 is ook de realisatie van riviernatuur - een opgave van de Programmatische Aanpak Grote Wateren - toegevoegd aan het plan. In 2021 en 2022 komen in samenwerking met de aannemer het definitief ontwerp, besluiten en vergunningen tot stand, zodat in 2023 de realisatie kan starten.

Naast bovengenoemde projecten wordt ook voortvarend gewerkt aan de projecten Well, Lob van Gennep en Oeffelt.

Bestuursopdracht Limburg: waterveiligheidsnormen keringen

In het kader van de Bestuursopdracht Waterveiligheid Maasvallei heeft bureau HKV geadviseerd om voor 22 dijktrajecten in Limburg normverlaging te overwegen, vanwege de ruimtelijke impact, kosten en draagvlak van dijkverbeteringsprojecten. Op 9 juni 2021 heeft de deltacommissaris advies uitgebracht over de normering van de primaire waterkeringen in Limburg. In dit advies is een brede set van afwegingselementen betrokken. Deze elementen zijn bepaald na consultatie van de partijen in de bestuurlijke begeleidingsgroep die voor dit adviestraject is geformeerd. HKV heeft verschillende scenario's gesuggereerd:

  • normverlaging binnen het stelsel van primaire waterkeringen door een nieuwe onderste normklasse te introduceren;
  • normverlaging buiten het stelsel van primaire waterkeringen (het worden dan regionale waterkeringen);
  • de waterkeringen niet normeren.

De deltacommissaris heeft uitgewerkt welke gevolgen deze scenario's zouden hebben voor de set afwegingselementen.

De deltacommissaris adviseert op grond van weging hiervan en op grond van bestuurlijke signalen in de bestuurlijke begeleidingsgroep, om de normwaarden ongemoeid te laten, maar daarbij wel op zoek te gaan naar mogelijkheden binnen het bestaande instrumentarium om de ruimtelijke impact van de waterkeringen zo gering mogelijk te maken.

Doorslaggevende voor de situatie in Limburg zijn hierbij voor de deltacommissaris de onwenselijkheid van een toenemende overstromingsfrequentie tot (statistisch) 1:30 jaar, de inschatting dat toepassing van een lagere normklasse niet betekent dat er geen ruimtelijke consequenties zouden zijn, dat de Veiligheidsregio's aangeven sterke twijfels te hebben over de haalbaarheid van een hogere evacuatiefractie, en dat de kostenreductie van aanleg van waterkeringen bij een lagere normklasse volgens inmiddels opgedane praktijkervaring van het waterschap beperkt zal zijn dan door HKV wordt geschat. Daarnaast speelden ook overwegingen op nationale schaal mee, zoals consistentie van beleid, de systematiek van nationale kostendeling van de waterveiligheid en schadevergoedingen binnen en buiten het stelsel van primaire waterkeringen, de vertraging die een aanpassing van de normen zou opleveren voor de dijkversterkingsopgave alsmede gevolgen voor de rivierbedstatus.

Om met de huidige wettelijke norm tot waterkeringen te komen die zo veel als mogelijk op lokaal draagvlak kunnen rekenen, kunnen de mogelijkheden van innovatief ontwerp van de waterkeringen en de optimalisaties die binnen het Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium / Ontwerpinstrumentarium (WBI/OI) mogelijk zijn, worden benut. Hierbij kan het Hoogwaterbeschermingsprogramma als bron van kennis en ervaring worden aangeboord en uitgebouwd met regionale ervaringen, bijvoorbeeld in het kader van de Kennis- en Innovatie Agenda HWBP. Ook is een belangrijke notie uit de bestuurlijke begeleidingsgroep dat het benutten van meekoppelkansen een positieve bijdrage kan leveren aan het draagvlak voor een dijkontwerp.

Dit advies is aangeboden aan de Stuurgroep Deltaprogramma Maas als verzoekende partij, en aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat in haar rol als stelselverantwoordelijke, als bouwsteen voor de evaluatie van de Waterwet vóór 1 januari 2025.

Beleidsuitwerking rivierbed Maasvallei

De dijken langs de Limburgse Maas moeten nu nog kunnen overstromen bij hoge rivierafvoeren. De overstroombaarheidseis vervalt in de toekomst als de dijken aan de nieuwe normen uit de Waterwet voldoen én elders in het rivierbed meer ruimte ontstaat door middel van systeemmaatregelen. Voor het nu nog overstroombare gebied achter de dijken geldt de status 'rivierbed' volgens de Beleidslijn Grote Rivieren, wat beperkingen voor de gebruiksmogelijk­heden meebrengt. Medio 2020 heeft de minister van IenW in overleg met de regio een beleidsuitwerking vastgesteld waarin staat op welk moment de overstroombaarheidseis en de status rivierbed komen te vervallen*. Voor gebieden die de functie van waterberging krijgen (een deel van de systeemmaatregelen) wordt het gebruik gereguleerd door een begrensde gebiedsontwikkelruimte vast te leggen. Rijk en regio stellen een integrale ruimtelijke visie op het hele Maasdal op. Dit gebeurt in afstemming met het Programma Integraal Riviermanagement.

Zoetwater Rijn en Maas

Maatregelen fase 1 en 2

In de regio Rivierengebied ligt de uitvoering van maatregelen van de eerste fase van Deltaplan Zoetwater op schema. In 2020 heeft de klimaatpilot 'Duurzaam gebruik ondiep grondwater' de waterbehoefte, het wateraanbod en de mogelijke optredende watertekorten in de regio in beeld gebracht. De regio gebruikt de inzichten voor de gebiedsdialogen over waterbeschikbaarheid. De klimaatpilot heeft ook in beeld gebracht of het ondiepe grondwater te gebruiken is als alternatieve zoetwaterbron. Hierbij zijn diverse stakeholders betrokken. Het eindrapport is medio 2021 opgeleverd. In 2020 is besloten de subsidieregeling 'waterbesparende maatregelen agrariërs' te verlengen tot 2023. De subsidieregeling is onder meer door de droge zomers steeds succesvoller geworden. Voor de nieuwe planperiode zet de regio in op grotere zelfvoorzienendheid en optimalisatie van het wateraanvoersysteem.

Waterbeschikbaarheid

Bij de dialoog over waterbeschikbaarheid sluit de regio aan bij bestaande gebiedsprocessen, zoals voor de Regiodeal Fruitdelta en de regionale adaptatiestrategieën (RAS). Een eenduidige uitwerking van waterbeschikbaarheid in de regio Rivierengebied is complex, vanwege grote systeemverschillen (gebieden met en zonder aanvoermogelijkheden) en omdat de vier betrokken provincies tot verschillende zoetwaterregio's behoren.

Voor de bestrijding van droogte in natuurgebieden in het Rijk van Nijmegen vinden overleggen plaats met terrein­beheerders om tot een gezamenlijk handelingsperspectief te komen.

Rijkswaterstaat voert het traject Waterbeschikbaarheid Maas uit, samen met regionale watergebruikers (industrie, energie, drinkwater, natuur, scheepvaart), waterschappen en provincies. De beschikbaarheid van oppervlaktewater in het Nederlandse Maasstroomgebied is in beeld gebracht en er zijn maatregelen opgesteld om de kwetsbaarheid voor watertekorten te verminderen. De partijen hebben voorkeursmaatregelen gekozen en ingediend voor financiering uit het Deltafonds. Het bufferen van water staat daarbij centraal, in het hoofdwatersysteem, in de regio en bij de watergebruikers. In 2021 wordt een preverkenning naar extra retentie langs de Maas in Nederland en Vlaanderen uitgevoerd, om de kwetsbaarheid voor watertekorten te verminderen. Indien er kansrijke locaties gevonden worden, start in 2022 een nadere verkenning hiernaar. De waterretentie zal tot stand komen door de aanpassing van de inrichting en het gebruik van de bestaande water­reservoirs of de aanleg van nieuwe reservoirs.

6.4.3 Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

Rijn

In 2020 zijn drie projecten langs de Rijntakken aangewezen als IRM-pilot, met als doel te leren van de ervaringen voor de integrale werkwijze van IRM:

  • MIRT Onderzoek Havikerwaard-Fraterwaard-Olburgerwaard (voorjaar 2021 afgerond): het onderzoek heeft een overzicht opgeleverd van de ambities, opgaven en initiatieven voor natuur, waterkwaliteit, scheepvaart, waterveiligheid en ruimtelijk-economische ontwikkeling op de korte en (middel)lange termijn. Een van de aanbevelingen is om verschillende oplossingsrichtingen te verkennen voor de mogelijke opgaven van IRM op het gebied van bodemligging en afvoercapaciteit en de opgaven van de Programmatische Aanpak Grote Wateren, in samenhang met de uitdagingen voor het gebied, zoals verdroging en duurzaam landbouwkundig ruimtegebruik.
  • Paddenpol: meerdere overheden werken samen aan één integraal plan en doen ervaring op met het combineren van opgaven en budgetten en gezamenlijke afspraken over integraal uiterwaardbeheer.
  • MIRT Onderzoek Werkendam Haven e.o. (medio 2021 klaar): het onderzoek brengt in beeld welke mogelijkheden er zijn voor een integrale gebiedsgerichte aanpak, waarin uitbreiding van de haven wordt gecombineerd met natuurontwikkeling, dijkversterking, recreatieve ontwikkeling en rivierverruiming.

Maas

In 2020 zijn zes IRM-pilots langs de Maas gestart om ervaring op te doen met de integrale werkwijze van IRM:

  • Verlagen dam Lateraal Kanaal: financieringsmethode onderzoeken, onder meer voorfinanciering door overheden en een 'millimeterfonds' voor ondernemers en projecten die waterstandverlaging opleveren;
  • Maasoevers Maastricht: integrale benadering van nautische veiligheid met stedelijke vernieuwing, herstructurering en waterveiligheid en omgaan met faseverschillen in de opgaven;
  • Vierwaarden (Venlo-Horst): herstel interbestuurlijke samenwerking om synergiekansen en de integrale rivierkundige opgave voor beide oevers in beeld te krijgen, samenwerking met bewoners (initiatiefgroepen, burgerparticipatie) en kansen zoeken om dorpen een (economische) impuls te geven;
  • Alem en fort Sint-Andries: integrale gebiedsontwikkeling met een verbrede scope en vroegtijdige betrokkenheid van een private partij om sneller zicht op financiering te krijgen;
  • Afweging doorstroombaar maken landhoofd Gelderse zijde A2: verbinding van hoogwaterveiligheid met kruisende infrastructuurprojecten en borging van het totaalpakket bij uitvoering op verschillende momenten;
  • Hoogwaterveiligheid 's-Hertogenbosch, Crèvecoeur: wateropgaven voor de Maas (waterveiligheid, wateroverlast en zeespiegelstijging) koppelen met water­opgaven voor het regionale systeem (rivierafvoer, droogte en verdroging), in samenhang met natuur en cultuurhistorie.

Voor iedere pilot zijn accenten gelegd in de leerdoelen, gericht op uitvoeren, verkennen of onderzoeken (zie Figuur 9).

Pilotprojecten IRM
Figuur 9 Pilotprojecten IRM

6.4.4 Signalen en nieuwe inzichten

Rijn

Eerste resultaten tussenproducten IRM

De eerste resultaten van de Systeembeschouwing, de Nota Realistische Beleidsopties en de rapportage Beeld op de Rivieren zijn beschikbaar. Uit deze tussenproducten van IRM blijkt dat klimaatverandering en bodemerosie grote gevolgen hebben voor de bevaarbaarheid en afvoer­verdeling over de Rijntakken bij laagwater. Ook de ecologische systeemopgave is groot. Alle opgaven hebben bovendien ruimtelijke impact op de inrichting van het rivierengebied. De resultaten van de uitgevoerde onderzoeken onderbouwen de keuze om opgaven op het gebied van hoogwater­veiligheid, zoetwatervoorziening, bevaarbaarheid, ecologie en ruimtelijke regionale ontwikkeling integraal mee te nemen in de alternatievenontwikkeling voor de herijking van de voorkeursstrategie rivieren binnen IRM.

 

Internationale samenwerking

Nederland en Noordrijn-Westfalen hebben in 2019 een nieuwe gemeenschappelijke verklaring ondertekend voor de samenwerking op het gebied van duurzame hoogwater­bescherming. De partijen stellen een nieuw werkprogramma voor de komende periode op. Daarbij maken ze gebruik van de aanbevelingen uit het uitgevoerde onderzoek:

  1. meer gemeenschappelijke ervaring opdoen met gezamenlijk onderzoek (inclusief verificatie van de gegevens) en uitwisseling van kennis over 1) opbarsten en piping, 2) evacuatie, 3) toekomstige afvoeren en 4) een methodiek voor risicobenadering en databeschikbaarheid;
  2. de grensoverschrijdende samenwerking voortzetten en versterken;
  3. een gemeenschappelijk toekomstperspectief ontwikkelen voor de grensoverschrijdende hoogwaterbescherming in het grensgebied.

Lessen van Klimaatpark IJsselpoort

Acht partijen hebben de afgelopen jaren een integraal plan opgesteld voor Klimaatpark IJsselpoort (zie ook paragraaf 6.4.2). De partijen hebben hun ervaringen vertaald in tien tips voor toekomstige projecten:

  1. Houd de stip aan de horizon scherp.
  2. Deel je gezamenlijke verhaal.
  3. Heb je feiten op orde.
  4. Zorg dat iedereen mee kan doen.
  5. Betrek 'de politiek' tijdig.
  6. Werk aan vertrouwen.
  7. Organiseer het slim.
  8. Zet gelijkwaardigheid voorop.
  9. Betrek beherende partijen zo snel als mogelijk.
  10. Maak een gezamenlijke businesscase.

Maas

Impact van maatregelen op de sedimenthuishouding

Veel maatregelen in en langs de rivier beïnvloeden de sedimenthuishouding, zoals de aanleg van nevengeulen, natuurvriendelijke oevers en delfstoffenwinning. Wat de effecten precies zijn en op welke tijdschaal ze zich mani­festeren, is nog onvoldoende bekend. Om hier meer zicht op te krijgen is extra onderzoek nodig. Dit krijgt invulling in het lopende onderzoeksprogramma Rivers2Morrow dat nu al gericht is op de bodemmorfologie in de Maas.

Waterbeschikbaarheid Maas onder druk

Analyses voor Deltaprogramma Zoetwater laten zien dat de waterbeschikbaarheid voor de gebruiksfuncties in het Maassysteem onder druk komt te staan. Droge perioden komen vaker en langer voor. Waterschaarste leidt tot knelpunten voor landbouw, natuur, industrie, het regionale watersysteem, de diepgang voor de scheepvaart en drinkwaterinnamepunten langs de rivier (ook door verzilting). Als de bruinkoolwinning in Duitsland stopt, neemt de wateraanvoer naar de Maas via de Roer mogelijk af. Water vasthouden in de zijbeken en de uiterwaarden en weerden wordt steeds belangrijker. Dit biedt ook kansen voor natuurontwikkeling en ecologische verbindingszones, met name langs de Noordelijke Maasvallei.

 

Integraal werken: planningen synchroniseren

Het synchroniseren van planningen van de verschillende maatregelen en initiatieven is een belangrijke voorwaarde om opgaven integraal te kunnen afwegen. In de praktijk is dat moeilijk te bewerkstelligen. IRM brengt in 2021 beleidsopties in beeld voor rivierbodems en afvoercapaciteit. Het is niet zeker of de benodigde maatregelen te combineren zijn met maatregelen voor bijvoorbeeld natuur (Programmatische Aanpak Grote Wateren), scheepvaart, (drink)waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) en economische ontwikkelingen inclusief winning van grondstoffen. Synchronisatie van planningen is ook belangrijk voor de uitvoering van de IRM-pilots.

Consequenties beëindiging bruinkoolwinning

Duitsland stopt vanaf 2030 met bruinkoolwinning en de daarvoor benodigde grootschalige onttrekking van grondwater. Het duurt meerdere decennia voordat het grond­water is aangevuld en de bruinkoolgroeves zijn volgelopen. Duitsland overweegt een deel van de afvoer van de Roer te gebruiken om de groeves te vullen. Dat heeft gevolgen voor Nederland: in tijden van laagwater levert de Roer een belangrijke bijdrage aan de Maasafvoer en de drinkwatervoorziening uit de Maas. De provincies Limburg en Noord-Brabant onderzoeken de consequenties samen met Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen.

Lessen van Meanderende Maas

De samenwerking in het project Meanderende Maas heeft de afgelopen jaren een integraal plan opgeleverd (zie ook paragraaf 6.4.2). Gedeeld eigenaarschap bleek hier de sleutel voor succes. Dit heeft de volgende voordelen:

  • vanaf de start integraal aanvliegen van de opgave en samen sturen;
  • gelijkwaardige verhoudingen, geordende processen en verbinding tussen mensen;
  • brede kijk op meervoudige opgave;
  • gezamenlijke zoektocht naar kansrijke scope­wijziging binnen de kaders;
  • gelijkwaardigheid van partijen, zodat strategische keuzes gezamenlijk tot stand komen;
  • regionale governance;
  • vroegtijdige en intensieve betrokkenheid van bewoners/belanghebbenden bij het ontwerpen en transparante keuzes;
  • cofinanciering, gezamenlijke financiële verantwoordelijkheid voor het project en de projectorganisatie;
  • onafhankelijke projectorganisatie (IPM-team en projectmanager) die voor álle partijen werkt;
  • procesregie, denken met de intentie hoe het wél kan.

6.5Rijnmond-Drecht­steden/Zoetwater­regio West-Nederland

Na de herijking van de voorkeursstrategie in 2020 zijn de betrokken partijen actief en eensgezind doorgegaan met de uitvoering. Dat heeft in 2021 meerdere resultaten opgeleverd. Zo is een besluit genomen over de waterveiligheid van de Hollandsche IJssel. Ook zijn de gebiedsgerichte adaptatiestrategieën verder uitgewerkt. Deze strategieën focussen in eerste instantie op het omvangrijke en intensief gebruikte buitendijkse gebied in Rijnmond-Drechtsteden. In 2022 worden sterkere verbindingen gelegd met andere transities.

6.5.1 Voortgang: uitvoering voorkeurs­strategie Rijnmond-Drecht­steden

Waterveiligheid

HWBP

Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor de versterking van de dijken langs de Hollandsche IJssel (project KIJK). In 2020 is uit een gezamenlijk onderzoek met Rijkswaterstaat gebleken dat de waterveiligheid langs de Hollandsche IJssel aanzienlijk goedkoper tot stand kan komen door te investeren in de betrouwbaarheid van de stormvloed­kering Hollandsche IJssel. Hierdoor zijn minder ingrijpende dijkversterkingen nodig. Uiterlijk in 2022 maken het Hoogwaterbeschermingsprogramma, het hoogheemraadschap en Rijkswaterstaat hier bestuurlijke afspraken over in de vorm van een uitwisselbijdrage aan de dijkversterking. De 'kans op niet sluiten' van de Hollandsche IJsselkering in de Waterwet moet gewijzigd worden door middel van een voorstel tot wetswijziging van de minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). De maatregelen aan de stormvloedkering gaan vanaf 2022 in uitvoering, zodat de faalkans verbetert van 1:200 (huidige norm) naar 1:1000 of beterin 2030. Dit levert een besparing op van naar schatting € 47-60 miljoen op de dijkversterkingsopgave.

Gebiedsgerichte adaptatiestrategieën buitendijkse gebieden

In 2020 heeft het Havenbedrijf Rotterdam samen met bedrijven en overheden de adaptatiestrategie voor het buitendijkse havengebied Europoort afgerond. De strategie voor de Maasvlakte bevindt zich in de afrondende fase. De komende jaren werken de partijen de strategieën verder uit.

De gemeente Rotterdam heeft in 2020 een handreiking opgesteld voor het ontwikkelen van een adaptatiestrategie voor de bewoonde buitendijkse gebieden, gebruikmakend van de ervaringen met de buitendijkse havengebieden. In 2021 start voor twee gebieden de ontwikkeling van een adaptatiestrategie in samenhang met lopende gebieds­ontwikkelingsprocessen, zoals rond de Rijn- en Maashaven. Het Havenbedrijf en de gemeenten Rotterdam en Dordrecht delen de opgedane kennis, zodat gemeenten en bedrijven die kunnen benutten voor adaptatiestrategieën voor andere buitendijkse gebieden in de regio.

 

Schuillocatie De Staart en binnenstad Dordrecht

De gemeente Dordrecht en de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR) hebben in 2020 een visie ontwikkeld op het hooggelegen buitendijkse gebied van De Staart. In de visie staat hoe De Staart als grootschalige schuillocatie bij overstromingen kan functioneren en hoe dit te combineren is met duurzame, klimaatadaptieve gebiedsontwikkeling. Voor de historische binnenstad hebben de gemeente en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onderzocht hoe de cultuurhistorische monumenten te beschermen zijn tegen overstromingen. Hierbij krijgt ook de situatie op de lange termijn aandacht, waarbij vaker delen van de stad kunnen overstromen door zeespiegel­stijging in combinatie met een hoge rivierafvoer. Het onderzoek is onderdeel van het project Horizon2020 dat gericht is op het klimaatadaptief maken van cultuurhistorie.

Vitaal en Kwetsbaar

De regionale verkenningsgroep Vitaal en Kwetsbaar (V&K) van DP Rijnmond-Drechtsteden heeft in 2020 in een position paper uitgewerkt wat de behoeften van de verschillende partijen in de regio zijn voor vitale en kwetsbare functies en wat hun rollen en taken daarbij zijn. De partijen willen beter inzicht krijgen in de kwetsbaarheid van vitale voorzieningen en de gevolgen van functie-uitval door een overstroming, wateroverlast, droogte of hitte. Ook willen ze kunnen beoordelen of extra maatregelen nodig zijn. Essentieel daarbij is de kennis van de vaak landelijk opererende beheerders. Ook de impactanalyses voor ernstige wateroverlast en overstromingen, die de veiligheidsregio's opstellen, zijn een belangrijke bron van informatie.

Zorgpunt

Door de coronapandemie hebben de vier betrokken veiligheidsregio's minder tijd kunnen besteden aan de acties voor crisisbeheersing uit de voorkeursstrategie (laag 3 van meerlaagsveiligheid). De impactanalyses voor ernstige wateroverlast en overstromingen zijn al klaar voor verschillende dijkringen, polderclusters en regionale keringen. Het opstellen van evacuatiestrategieën loopt echter vertraging op. Het streven is eind 2021 tot een afronding te komen.

Zoetwater

De uitvoering van maatregelen uit fase 1 van Deltaplan Zoetwater in West-Nederland ligt grotendeels op schema. De uitvoering van de capaciteitsuitbreiding van de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) loopt conform de (eerder) aangepaste planning door tot en met 2023. De optimalisatie van het Brielse Meer heeft afgelopen jaar vertraging opgelopen, als gevolg van de coronamaat­regelen; realisatie is voorzien tot en met 2022.

Partijen in de regio bereiden gezamenlijk de volgende fase van het Deltaplan Zoetwater voor. De strategie van de zoetwaterregio West-Nederland sluit aan bij het nationale zoetwaterdoel om in 2050 weerbaar te zijn tegen zoet­watertekorten. De regio houdt rekening met andere maatschappelijke opgaven en transities, zoals vernatting van het veenweidegebied, verbetering van de waterkwaliteit, verstedelijking en biodiversiteit. De strategie die de regio heeft vastgesteld, zet in op verschillende sporen: verdere optimalisatie van de aanvoer, transitie naar het benutten van de ondergrond voor alternatieve bronnen en het vergroten van de robuustheid van het regionale watersysteem. Het expliciet meewegen van waterbeschikbaarheid bij de ruimtelijke inrichting draagt hieraan bij. Tot slot richt de strategie zich op verdergaande samenwerking en verbinding met andere opgaven, zoals het verkennen van kansen voor natuur en de bereidheid voor regionale investeringen in een klimaatbestendig hoofdwatersysteem.

Ruimtelijke adaptatie

Informatie over de uitvoering van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie staat in paragraaf 5.4.

Alblasserwaard-Vijfheerenlanden

In de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (A5H) werken provincies, gemeenten en het waterschap aan een regionale klimaatadaptatiestrategie (RAS). In klimaatwerkplaatsen gaan de overheden samen met maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en inwoners in gesprek over verstedelijking en gezonde leefomgeving, landbouw en natuur, landschap en recreatie en vitale objecten en infrastructuur. Via een digitaal symposium hebben nog meer mensen de kans gekregen mee te denken. De regio wil een internationale showcase voor klimaatadaptatie worden en gaat langdurig samenwerken op basis van uitvoeringsagenda's en concrete projecten.

6.5.2 Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

Ruimtelijk ontwikkelkader dijken

De gemeente Rotterdam en Waterschap Hollandse Delta starten in 2021 met een pilotproject waarin ze voor de Maashaven Rotterdam een 'ruimtelijk ontwikkelkader dijken' opstellen. Het kader geeft uitgangspunten voor het ontwerp van onder meer de woningbouw die de komende jaren nabij de dijk tot stand moet komen. Daarbij zijn verschillende opties mogelijk voor het borgen van de waterveiligheid op lange termijn, in het gebied voor én achter de dijk.

Klimaatadaptieve bouwen en waterveiligheid

Waterveiligheid is steeds vaker een van de thema's bij het werken aan klimaatadaptatie in het binnendijkse gebied. Het convenant Klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland geeft duidelijke doelen voor het omgaan met waterveiligheid bij nieuwbouwontwikkelingen. De partijen binnen DP Rijnmond-Drechtsteden en het convenant verkennen hoe dit in de praktijk toepasbaar is. De gemeente Dordrecht heeft de doelen van het convenant in de nieuwbouw­projecten Amstelwijck en Vlijweide vertaald in prestatie-­eisen. Voor Amstelwijck geldt bijvoorbeeld dat 60% van de woningen een droge verblijfplek moet hebben bij een overstroming. Voor het buitendijkse project Vlijweide wordt onderzocht hoe schade te voorkomen is en hoe de kwaliteit van het getijdewater beter te benutten is.

6.5.3 Signalen en nieuwe inzichten

Ruimtelijke ontwikkelingen

Eind 2020 vond de eerste regionale sessie van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging plaats voor de regio Rijnmond-Drechtsteden. De sessie bevestigde het beeld dat de huidige ruimtelijke ontwikkelingen en investeringen in waterveiligheid mede bepalend zijn voor de waterveiligheidsopties voor de lange termijn. Daarom is het van belang de ontwikkelingen en investeringen die nu plaatsvinden in samenhang met het perspectief voor de lange termijn te bekijken.

Via het kennisprogramma komen nieuwe modellen beschikbaar die de waterstanden en de waterveiligheids­opgave bij zeespiegelstijging in beeld brengen voor het hoofdwatersysteem. De modellen voor Rijnmond-Drechtsteden zijn als eerste klaar en de resultaten komen vanaf de tweede helft van 2021 beschikbaar. Ook geeft het kennisprogramma meer inzicht in de opgave voor zoetwater, scheepvaart, industrie, economie, het buitendijks gebied, ruimtelijke ordening en ecologie en in de robuustheid en flexibiliteit van het gehele systeem (ook van meerlaagsveiligheid).

Geen-spijtinvesteringen

Onder leiding van Waterschap Hollandse Delta zijn de effecten van zeespiegelstijging op investeringen in buitendijks gebieden en dijkzones in Rijnmond-Drechtsteden onderzocht. De onderzoekers hebben verschillende typen investeringen onderzocht, waaronder investeringen in natuurgebieden, industrie, waterveiligheidswerken en infrastructuur. Dat heeft handvatten opgeleverd om te komen tot geen-spijtinvesteringen. Gemeenten en waterschappen kunnen nu informatie aan bedrijven en investeerders geven over klimaatrobuust ontwerpen. Het onderzoek is in 2021 klaar.

6.6Zuidwestelijke Delta

De uitvoering van de voorkeursstrategie loopt goed. De gezamenlijke ambitie van de Zuidwestelijke Delta staat daarin centraal: dit is de eerste delta ter wereld die in 2050 voorbereid is op klimaatverandering, zodat het ook na 2050 mogelijk is om hier te wonen, werken en recreëren. Het komende jaar staat in het teken van het vervolgtraject van de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050, het opstellen en uitvoeren van een integrale kennis- en innovatie­agenda en de intensivering van de samenwerking in het gebied.

6.6.1 Voortgang: uitvoering voorkeursstrategie Zuidwestelijke Delta

Waterveiligheid

Hoogwaterbeschermingsprogramma

Dijkversterking Hansweert is de grootste dijkversterking in de Zuidwestelijke Delta. Tijdens het uitwerken van het plan in 2019 is een InnovatieHUB georganiseerd. De deelnemers van overheidsorganisaties, bedrijfsleven en onderwijs- en kennisinstellingen konden meepraten over de vraag hoe een dijkversterking duurzaam, natuurvriendelijker en circulair kan worden uitgevoerd. Diverse ideeën worden uitgewerkt in het project Hansweert en kunnen wellicht ook worden toegepast bij komende dijkversterkingen. Het definitieve ontwerp verschijnt naar verwachting in het tweede kwartaal van 2021 en de uitvoering ervan is vooralsnog voorzien in 2022-2025.

Vooroeverbestortingen

Rijkswaterstaat verdedigt in 2020 en 2021 vooroevers op verschillende locaties langs de Westerschelde en de Oosterschelde. Vooroevers zijn belangrijk voor de stabiliteit van de dijk en dus voor de waterveiligheid. Daarbij zijn veel meekoppelkansen. In de Westerschelde worden maatregelen uitgevoerd in het kader van het Natuurpakket Westerschelde, dat moet leiden tot meer getijdennatuur. In de Oosterschelde krijgt de bestorting een ecologische toplaag. Dit zijn ruggetjes van breuksteen, van ongeveer een meter hoog. Ze stimuleren de biodiversiteit, vormen goede schuilplaatsen voor kreeften en zijn aantrekkelijk voor duikers.

Suppletieprogramma

De strandsuppletie bij Dishoek is in het voorjaar van 2020 versneld uitgevoerd, omdat tijdens de februaristorm Chiara veel zand was weggeslagen. Hierdoor kon de veiligheid in de winterperiode niet gegarandeerd worden. In 2021 vinden suppleties plaats aan de kust bij Goeree-Noordwest, Schouwen-West, Westkapelle-Zoutelande en Dishoek-Vlissingen.

Zoetwater

Voortgang uitvoering planperiode tot 2021

Eind 2020 bereikte het project Doorvoer Roode Vaart een bijzondere mijlpaal: voor het eerst in vijftig jaar stroomde er weer water door de haven van Zevenbergen. De nieuwe haven verbindt het Hollandsch Diep met het Mark-Vlietsysteem. Dankzij die nieuwe verbinding kan West-Brabant van extra zoetwater worden voorzien. Het openen van de haven in Zevenbergen vergroot de leefbaarheid in het gebied en draagt tevens bij aan verbetering van de waterkwaliteit in het Brabantse Mark-Vlietsysteem. Het waterschap realiseert in 2021-2022 de inlaatvoorziening waarmee water uit het Hollands Diep kan worden ingelaten.

In 2021 start de aanbesteding voor de realisatie van de innovatieve zoet-zoutscheiding (IZZS) Krammersluizen. Dit nieuwe systeem zorgt voor een effectievere zoet-zoutscheiding, een energiebesparing van 50% en een passagetijdverkorting van 16 minuten per schutting. Dit is het laatste onderdeel uit het pakket dat nog niet in uitvoering is.

De grootste betrokkenheid van andere partijen zit in de proeftuin Zoetwater in Zeeland. Bij vrijwel alle pilots zijn agrarische gebruikers en gemeenten betrokken. Een van de maatregelen uit het totaalpakket wordt getrokken door Evides Waterbedrijf en DOW Chemicals in Terneuzen.

Zoetwaterstrategie

In november 2020 is de aanpassing van de zoetwater­strategie vastgesteld. Daarmee wordt tevens een (eerste) invulling gegeven aan de door de Tweede Kamer aangenomen motie Stoffer c.s.* waarin wordt gepleit voor een urgente aanpak van de verziltings- en verdrogingsproblematiek in de Zuidwestelijke Delta en voor het behoud van het huidige zoete Volkerak-Zoommeer. Dat houdt in dat er geen urgentie is om een alternatieve zoetwatervoorziening rond het Volkerrak-Zoommeer te realiseren. De regio heeft in bestuurlijk overleg van 22 februari 2021 aangegeven met andersoortige en aanvullende maatregelen te komen en voor te leggen aan het Bestuurlijk Platform Zoetwater (BPZ).

Het maatregelenpakket voor de komende planperiode 2022-2027 bestaat uit de volgende hoofdcategorieën: voortzetting proeftuin zoetwater Zeeland, slimmer regionaal waterbeheer, hergebruik effluent, realisatie robuust regionaal watersysteem en monitoren en modelleren. De voorgestelde aanvullende maatregelen zijn:

  • Ondergrondse wateropslag Wolphaartsdijk;
  • Optimalisatie zoetwatersituatie PAN-polders West-Brabant;
  • Optimalisatie benutten landbouwwaterleiding;
  • Verkenning benutten brak grondwater voor drinkwatervoorziening;
  • Verkenning gebruik van afstromend water van de Brabantse Wal.
Waterbeschikbaarheid

In de Zuidwestelijke Delta varieert de uitwerking van waterbeschikbaarheid per provincie. Zeeland bestaat voor het grootste deel uit gebieden zonder aanvoermogelijk­heden. Voor het eiland Schouwen-Duiveland wordt - samen met gemeente en de agrarische sector - een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden voor wateraanvoer. Voor heel Zeeland vindt uitwerking plaats via het Zeeuws Deltaplan Zoetwater. Voor Zuid-Holland gaat het om het eiland Goeree-Overflakkee, waar in een vroeg stadium al een pilot is uitgevoerd en waar waterbeschikbaarheid inmiddels is geïntegreerd in het gebiedsproces voor het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie. De Zuidwestelijke Delta beperkt zich in Noord-Brabant tot het peilbeheerste gebied van Waterschap Brabantse Delta. Dit waterschap heeft de kaders voor waterbeschikbaarheid bestuurlijk vastgesteld. Dit geeft gebruikers duidelijkheid over het handelen van het waterschap voor de zoetwatervoorziening in het gebied. In sommige delen, bijvoorbeeld de gebieden die grenzen aan het Volkerak-Zoommeer, is nadere uitwerking gewenst. Dit krijgt onder andere vorm in het traject 'Participatief monitoren', samen met agrariërs in de polders.

Ruimtelijke adaptatie

De Klimaatadaptatiestrategie Zeeland, inclusief uitvoeringsprogramma, wordt in de tweede helft van 2021 vastgesteld. In de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland wordt het principe van meerlaagsveiligheid toegepast. Ook is er aandacht voor 'vitaal en kwetsbaar' en voor het Zeeuws Deltaplan Zoetwater. Tijdens het proces van de risicodialogen is een bewustwordingscampagne gestart: 'Het klimaat verandert, Zeeland verandert mee'.

De werkregio Goeree-Overflakkee heeft de risicodialoog uitgevoerd en de uitkomsten van de stresstest vast­gesteld. Begin 2021 is de subsidieregeling klimaatadaptieve maatregelen van start gegaan (voor perceeleigenaren). Naar verwachting worden de klimaatadaptatiestrategie en de uitvoeringsagenda in de zomer van 2021 opgeleverd.

6.6.2 Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050

In november 2020 is de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 vastgesteld en naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin worden de doelen van het Deltaprogramma Zuidwestelijke Delta, de Programmatische Aanpak Grote Wateren, de regionale economie en de Nationale Omgevingsvisie verbonden tot inspirerende handelingsperspectieven voor een klimaatrobuust deltagebied. De komende jaren worden deze handelingsperspectieven nader geconcretiseerd door het werkprogramma van het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta.

Zandsuppletie Galgeplaat en omgeving

De zandsuppletie Galgeplaat en omgeving is opgenomen in de 2e tranche van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). De voorbereiding van de planuitwerking is in het voorjaar van 2021 van start gegaan. Dit soort suppleties zijn niet alleen van belang voor de ecologie, maar ook voor de veiligheid: de zandsuppleties dempen de golfaanval op de dijken rond de Oosterschelde.

Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland Zuidwestelijke Delta

In de Zuidwestelijke Delta is het Gebiedsplan van het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP) vastgesteld: 'Grenzeloos samenwerken aan een zichtbare en toekomstbestendige Zuidwestelijke Delta'. Dit programma pakt verschillende opgaven in het landelijk gebied in samenhang aan, in de vorm van broedplaatsen: 'volhoudbare landbouw', 'zoetwater' en 'genieten en beleven van de Delta'. De opgaven - zoals zoetwaterbeschikbaarheid en een robuust watersysteem - worden in een gebiedsaanpak binnen de broedplaats 'zoetwater' verder uitgewerkt. In samenhang met het afstemoverleg zoetwater Zuidwestelijke Delta wordt onderzocht welke andere projecten zinvol zijn om binnen het programma uit te voeren. Binnen de broedplaats 'volhoudbare landbouw' wordt gewerkt aan een routekaart naar een volhoudbare landbouw. Hier zijn relaties met opgaven op het gebied van waterbeschikbaarheid, waterveiligheid en klimaatadaptatie.

Klimaatkrachtig Goeree-Overflakkee

Op Goeree-Overflakkee is de campagne 'Klimaatkrachtig Goeree-Overflakkee, samen voor een klimaatkrachtig Goeree-Overflakkee' van start gegaan. De gemeente adviseert en ondersteunt de burgers via één traject bij de verschillende duurzaamheidsambities: klimaatadaptatie, regionale energiestrategie en transitievisie warmte. In de participatiekaders voor een Klimaatkrachtig Goeree-Overflakkee is het doel 'klimaatbestendig en waterrobuust in 2050' meegenomen. Een van de uitgangspunten is: 'In 2050 kunnen we omgaan met de gevolgen van klimaatverandering'.

Omgevingsagenda Zuidwest en Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050

In de Zuidwestelijke Delta geven de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 en de Omgevingsagenda Zuidwest beide een gebiedsgerichte uitwerking aan de NOVI. De Gebiedsagenda doet dat als inspiratiedocument met handelingsperspectieven gericht op de grote wateren en de Omgevingsagenda Zuidwest als bestuurlijke agenda met gebiedsgerichte opgaven, gericht op de landsdelen. Voor Zeeland zijn in de Omgevingsagenda Zuidwest drie gebieden geïdentificeerd waarbij de verbetering van de samenwerking tussen Rijk en regio het meest urgent is. Het gaat om de gebieden North Sea Port District, Kust en Voordelta en het landelijk gebied. Voor Zuid-Holland zijn ook gebieds­opgaven benoemd, waaronder de Noordrand van de Delta. In de opgaven in deze gebieden wordt ook nadrukkelijk de relatie gelegd met het Deltaprogramma Zuidwestelijke Delta, vooral met betrekking tot waterveiligheid, de beschikbaarheid van zoetwater en klimaatadaptatie.

6.6.3 Signalen en nieuwe inzichten

Volkerak-Zoommeer op orde

Op basis van het Deltares-rapport 'Klimaatrobuustheid van het waterbeheer van het Volkerak-Zoommeer' (juli 2020) concludeert het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta dat het regulier peilbeheer en de zoetwatervoorziening van het Volkerak-Zoommeer klimaatrobuust zijn tot 1 meter zeespiegelstijging. Voorwaarde is wel dat wordt voldaan aan drie randvoorwaarden:

  • De watertoevoer door de Volkeraksluizen vanuit het Hollands Diep is jaarrond 40 m3/s.
  • De kweldruk is niet substantieel hoger dan 3 kg/s.
  • Het operationeel beheer van de Innovatieve Zoet-Zoutscheiding in de Krammersluizen wordt geoptimaliseerd via het lerend implementeren.

Het Gebiedsoverleg gaat in gesprek met de bestuurlijke partners om afspraken te maken over de concrete invulling van deze randvoorwaarden.

Slim omgaan met sediment

De jaarlijkse kennisdag van de Kenniscommunity Zuidwestelijke Delta had in 2020 als thema 'sediment'. Het was tevens het eindcongres van het Interreg-project Smartsediment. De conclusie van het project is dat vrij­komend sediment in de Scheldedelta door slim sedimentmanagement kan bijdragen aan verschillende ecosysteemdiensten, met name natuur, biodiversiteit en waterveiligheid.

Zoet-zout

In november 2020 organiseerde de Kenniscommunity Zuidwestelijke Delta een online themasessie met als onderwerp: zoet-zout in de Zuidwestelijke Delta. In de Zuidwestelijke Delta, met name in Zeeland, is veel geïnvesteerd in de ontwikkeling van technieken en modellen voor zoet-zout-analyses van het grondwater. De deelnemers spraken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van modellen, in hoeverre die bijdragen aan kennis en hoe de resultaten moeten worden geïnterpreteerd. Ten slotte werd geconcludeerd dat er in sommige gevallen meer behoefte is aan 'real life data'.

Integrale Kennis- en innovatieagenda Zuidwestelijke Delta

In mei 2021 organiseerden het programma Zuidwestelijke Delta en het Kennisprogramma Zeespiegelstijging een online-bijeenkomst over de Integrale Kennisagenda Zuidwestelijke Delta en het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Er waren ruim 130 deelnemers - variërend van beleidsmakers, onderzoekers en maatschappelijke partijen tot regionale bestuurders. Tijdens de bijeenkomst is de Integrale Kennis- en innovatieagenda Zuidwestelijke Delta geïntroduceerd: deze agenda geeft zicht op de samenhang en verbinding tussen de losse kennisagenda's. Verder werd tijdens de bijeenkomst duidelijk dat keuzes voor andere gebieden waaronder Rijnmond-Drechtsteden, het rivierengebied en Vlaanderen veel invloed kunnen hebben op het watersysteem van de Zuidwestelijke Delta en daarmee op de oplossingsrichtingen voor de lange termijn. In dat verband is behoefte aan verheldering van welke keuzes landelijk worden gemaakt en welke regionaal. De bedoeling is dit soort bijeenkomsten in de komende jaren periodiek te organiseren en de kennis­agenda samen uit te breiden.

Kanaal van Gent naar Terneuzen

In het Kanaal van Gent naar Terneuzen neemt de verzilting toe en het risico op watertekort wordt groter. Dit zijn gevolgen van de bouw van de nieuwe zeesluis en een afnemende wateraanvoer uit Vlaanderen door klimaatverandering. Rijkswaterstaat en het Vlaamse ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) onderzoeken de gevolgen van deze situatie in het kanaal en de omgeving en het handelingsperspectief om de gevolgen te beperken.

6.7Kust

Dertig jaar geleden is het Uitvoeringsprogramma Kustlijnzorg gestart. Hiermee houdt Nederland de kustlijn op zijn plaats door zandsuppleties uit te voeren. Zandsuppleties zijn een belangrijk onderdeel van de voorkeursstrategie voor de kust: 'zacht waar het kan, hard waar het moet'. Mede door het succes van het programma Kustlijnzorg is de waterveiligheid van de kust op orde. Het verbinden van andere ruimtelijke ambities met de toekomstige waterveiligheid vraagt extra aandacht.

6.7.1 Voortgang: uitvoering beslissing Zand en voorkeursstrategie Kust

Beslissing Zand

Begin 2021 heeft Rijkswaterstaat het Beleidsadvies Kustgenese opgeleverd aan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Hierin staat hoeveel zand op lange termijn nodig is voor beheer en onderhoud van de kust. Het advies gaat ook in op de plaatsen en de momenten waarop het zand nodig is en de manier waarop het zand toegevoegd kan worden aan de kust. Het beleidsadvies is gebaseerd op de kennis die sinds 2015 is opgebouwd in het programma Kustgenese 2.0.

 

In 2021 is het vervolg van Kustgenese 2.0 ondergebracht in het Kennisprogramma Zeespiegelstijging (spoor 2 Systeemverkenningen, Zandige Kust). De activiteiten in de komende jaren bestaan uit kennisontwikkeling door onderzoek en extra monitoring in het Amelander Zeegat. De opgeleverde kennis maakt het mogelijk te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen die van invloed zijn op het zandige systeem en om suppleties effectiever en kosten­efficiënter in te zetten (lerend werken). De komende jaren wordt duidelijk of het nodig is de omvang van zandsuppleties aan te passen. Vooralsnog is de huidige omvang van s12 miljoen m3 per jaar voldoende.

Voorkeursstrategie Kust

Eind 2020 bestond het Uitvoeringsprogramma Kustlijnzorg dertig jaar. In dit programma worden de jaarlijkse zandsuppleties langs de kust geprogrammeerd. Het werken met zandsuppleties heeft zich in de praktijk volop bewezen: suppleren is een adaptieve werkwijze die gemakkelijk is aan te passen aan actuele ontwikkelingen van de kustlijn, het is een relatief goedkope manier om de kustlijn op zijn plaats te houden en Nederland te beschermen tegen overstromingen vanuit zee, door de suppleties groeit het kustfundament mee met de zeespiegelstijging en de zachte manier van beschermen biedt kansen voor natuur, landschap en recreatie. Dankzij de suppleties is de waterveiligheid langs de kust op orde en is er ruimte voor gebruiksfuncties in de kustzone (drinkwater, natuur, recreatie, archeologie). Vooralsnog is er genoeg zand op winbare diepte voorhanden in de Noordzee om dit beleid voort te zetten.

6.7.2 Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

Koppeling andere ambities met waterveiligheid

Een belangrijke doelstelling van de voorkeursstrategie voor de Kust is het verbinden van de waterveiligheidsopgave met ruimtelijke ambities. Waar een waterveiligheids­opgave speelt, wordt deze meestal integraal ingevuld. Goede voorbeelden zijn de versterking van de Hondsbossche Zeewering (Hondsbossche Duinen) en de kustversterkingen bij Noordwijk (dijk onder het duin) en Katwijk (dijk in combinatie met parkeergarage). Initiatiefnemers van andere ruimtelijke ambities leggen nog niet altijd de koppeling met toekomstige waterveiligheidsopgaven. Dat is wel belangrijk, vooral als de zeespiegelstijging blijkt te versnellen. Door deze koppeling te leggen, is te waarborgen dat nieuwe waterveiligheidsmaatregelen in de toekomst mogelijk blijven. Daarom is het te overwegen de koppeling op te nemen in de gemeentelijke omgevingsvisies.

6.7.3 Signalen en nieuwe inzichten

Verduurzaming kustprojecten

Het ministerie van IenW wil in 2030 volledig klimaat­neutraal en circulair werken en volgt daarvoor de strategie Naar klimaatneutrale en circulaire rijksinfraprojecten (zie paragraaf 2.4). De ambities krijgen onder meer invulling met het programma Innovaties in de Kustlijnzorg. Het onderhoud van de Nederlandse kust veroorzaakt veel CO2-uitstoot. Rijkswaterstaat zoekt daarom in het programma nieuwe manieren om de milieubelasting van de kustlijnzorg te verminderen. Hiervoor sluit Rijkswaterstaat met een select aantal bedrijven innovatiepartnerschappen. Eind 2020 heeft de eerste aanbesteding van partnerschappen verschillende veelbelovende ideeën opgeleverd, waaronder de Zandwindmolen en de Zandvleugel. De Zandwindmolen bestaat uit een elektrisch werktuig voor winning en transport van zand naar de suppletielocatie dat werkt op windenergie. Dit idee heeft inmiddels de stap gemaakt van eerste ontwerp naar voorontwerp. De Zandvleugel is een constructie op de zeebodem die zand opwervelt en naar de kust verplaatst.

Landelijke Kustdag/regiosessie Kennisprogramma Zeespiegelstijging

Op 12 mei 2021 vond de regiosessie van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging voor de kustzone plaats, in combinatie met de landelijke Kustdag. Aan de partijen met een rol in de kustzone is gevraagd om na te denken over de toekomstige wateropgaven bij ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven. Het gaat bij dergelijke ontwikkelingen immers vaak om investeringen van miljoenen tot miljarden euro's die 50 tot 100 jaar meegaan. Denk bijvoorbeeld aan woningbouwprojecten. De sessie maakte duidelijk dat meer duidelijkheid nodig is over eisen, randvoorwaarden en voorbeelden om deze investeringen toekomstgericht te kunnen uitvoeren. Zijn er bijvoorbeeld urgente of risicogebieden aan te wijzen en wat zijn de mogelijkheden voor ruimtelijke reserveringen en een adaptief ontwerp? Belangrijk is belanghebbenden mee te nemen en laten participeren. Partijen is in overweging gegeven om in omgevingsvisies vast te leggen dat de mogelijke water­opgaven in de toekomst worden meegenomen bij de voorbereiding van ruimtelijke ontwikkelingen.

Satellietmetingen

Rijkswaterstaat meet jaarlijks de bodemhoogte in de kustzone en om de drie jaar dieper op zee. Deze metingen vormen de basis voor de programmering van kust­suppleties. Op dit moment vindt onderzoek plaats naar het gebruik van satellietmetingen om de bodemhoogte te bepalen. Als dat lukt, zijn gegevens over de bodemhoogte met grotere regelmaat te verkrijgen. Dat geeft meer inzicht in het kustgedrag en de wijze waarop de kust reageert op zeespiegelstijging. Daarmee zijn de modellen te verbeteren en zandsuppleties preciezer te berekenen.

Brede klimaatbestendige duinzone

Toekomstige versterkingen van waterkeringen zijn het goedkoopst als er voldoende ruimte is. Dan is de versterking met grond en zand te realiseren. Ook zijn er dan meer mogelijkheden voor multifunctionele inpassing. Brede, klimaat­bestendige dijk- en duinzones verdienen daarom de voorkeur. Dit vereist een ruimtelijke visie die krachtig uitgedragen en gerealiseerd wordt.

6.8Wadden­gebied/­Zoetwater­regio Noord

In het Waddengebied lopen verschillende integrale en innovatieve dijkversterkingsprojecten. De verbinding met andere opgaven en transities krijgt onder meer vorm in de integrale waterveiligheidsstrategie voor de Waddeneilanden.

6.8.1 Voortgang: uitvoering voorkeursstrategie Waddengebied

Waterveiligheid

Kennisprogramma Zeespiegelstijging

In het najaar van 2020 is op het Springtijfestival op Terschelling een werksessie gehouden over de strategieën die mogelijk zijn als de huidige strategie voor het Waddengebied door grote zeespiegelstijging niet meer volstaat. Dit is gedaan volgens de principes van beschermen, meebewegen en terugtrekken. De werksessie heeft de belangrijkste kennishiaten en dilemma's in beeld gebracht. Dit is input voor het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. In het Kennisprogramma is ook het vervolg van Kustgenese 2.0 ondergebracht (zie 6.7 Kust), met onder meer onderzoek naar toekomstige morfologische ontwikkelingen in de Waddenzee. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de gegevens die het monitoringprogramma voor de pilot Zandsuppletie (bitendelta Amelander Zeegat) oplevert. Het monitoringprogramma geeft inzicht in de werking van de zandige kust en de zeegaten.

Tussenresultaten Kleirijperij

In 2022 wordt een afgekeurd dijktraject van één kilometer omgevormd tot een Brede Groene Dijk, als demonstratieproject. De intentie is de versterking uit te voeren met klei uit de omgeving. Een deel daarvan komt uit de Kleirijperij, waar baggerslib uit de havens en natuurpolder Breebaart tot klei 'rijpt'. Medio 2020 bleek dat de gehaltes organische stof en zout in de klei uit de Kleirijperij niet voldoen aan de richtlijnen voor dijkenklei. Het ontwerp van de dijk is hierop aangepast. In een Deltagootproef is de Brede Groene Dijk op schaal nagebouwd om te testen hoe dik de laag klei uit de Kleirijperij moet zijn om de veiligheid te kunnen borgen. De Deltagootproef geeft ook meer inzicht in het gedrag en de toepasbaarheid van lokaal gewonnen slib voor dijkversterking. Eind 2020 is een kleine proefdijk van 40 meter aangelegd, om inzicht te krijgen in de verwerkbaarheid van klei uit de Kleirijperij.

Dijkversterking

Voor het HWBP-project Koehool-Lauwersmeer, langs de Friese Waddenkust, loopt de verkenning. Waar mogelijk wordt de dijkverbetering gekoppeld met andere opgaven, zoals de Programmatische Aanpak Grote Wateren voor de Waddenzee (verzachten van de randen van het wad, herstel van onderwaternatuur) en de Regiodeal NO-Friesland/Holwerd aan Zee. Alle innovatieve dijkverbeteringsmogelijkheden en koppelkansen worden in beschouwing genomen. De afstemming tussen de betrokken overheden vindt plaats in de stuurgroep Waddenzeekust onder leiding van de provincie Fryslân. De verkenning is naar verwachting in het najaar van 2021 klaar en resulteert in een integraal voorkeursalternatief voor de diverse deeltrajecten en afspraken over de partijen die de verschillende koppelkansen in de planstudiefase uitwerken. De realisatie start naar verwachting in 2023.

Medio 2020 de planvorming gestart voor het HWBP-project Lauwersmeer-Vierhuizergat, langs de Groningse Waddenkust. Er is gekozen voor een integrale aanpak, met aandacht voor natuur, recreatie, economie en verkeers­veiligheid. Het project krijgt bijdragen uit de Programmatische Aanpak Grote Wateren, het Waddenfonds en de provincie Groningen voor ecologische koppelkansen: verzachting van de overgang tussen het wad en het vasteland en migratiemogelijkheden voor vis en andere soorten.

Begin 2021 heeft het multifunctioneel gebruik van de Dubbele Dijk tussen Eemshaven en Delfzijl (2,6 km) verder invulling gekregen als onderdeel van het programma Eems-Dollard 2050. In het tussengebied hebben agrarische activiteiten een aanvang genomen, met aardappel-, zeewier- en garnalenteelt. In 2022 komt er een fysieke verbinding tussen de Eems en het binnengebied, zodat getijdenwerking kan doordringen. In 2022 start het programma Eems-Dollard 2050 met de aanleg van natte gebieden waarmee een ecologische verbinding tussen het Eems-esturarium en het binnengebied ontstaat.

De dijkversterking op Vlieland start vanwege de stikstof­problematiek niet in 2022 maar in 2023. Het is niet nodig de dijk op te hogen. De gevolgen van zeespiegelstijging zijn op te vangen door de taluds aan te passen en grotere stenen te gebruiken. Aan de buitenzijde van de dijk komt een berm met een fiets- en wandelpad. Waar mogelijk wordt de ecologie verbeterd.

Impactanalyses veiligheidsregio's

De veiligheidsregio's stellen impactanalyses op voor overstromingen, als onderdeel van het landelijke project Wave. Door corona is daar achterstand in ontstaan. De Veiligheidsregio's Groningen en Fryslân hebben middelen beschikbaar gesteld om de achterstand in te lopen met externe inhuur. De impactanalyse wordt in 2021 afgerond en geeft input voor de evacuatieplannen die in 2022 worden uitgewerkt en voor de integrale waterveiligheidsstrategie voor de Waddeneilanden.

Samenwerking met RBO-Noord

Het Bestuurlijk Overleg Waddengebied en RBO-Noord verkennen of het wenselijk is de overleggen te integreren en als één bestuurlijk overleg verder te gaan. De ambtenaren van betrokken partijen werken voorstellen uit voor de toekomstige governancestructuur.

6.8.2 Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

Verbinding met andere opgaven is verweven in de voorkeursstrategie Waddengebied. De inzet ligt op innovatieve dijken met maatschappelijke meerwaarde. De lopende dijkversterkingen geven daar invulling aan (zie 6.8.1).

Manifest Lauwersmeerkust

Het manifest Lauwersmeerkust geeft invulling aan meerdere opgaven voor het gebied. Klimaatadaptatie komt aan bod bij de versterking van de zeedijken, door in te zetten op kwelderontwikkeling buitendijks. Ook koppelkansen voor verbetering van de natuur en kansen voor toerisme en economie spelen bij dijkversterking een rol. Het omgaan met de verzilting van het Lauwersmeergebied krijgt vorm door een verkenning van 'zachte' compartimentering in het Lauwersmeer. Hierbij wordt het zuidelijke deel zoet gehouden en verbetert de zoetwatersituatie van de landbouwgebieden. Op de Proefboerderij Kollumerwaard wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor de teelt van zilte gewassen.

Gebiedsagenda Wadden 2050

De Gebiedsagenda Wadden 2050 geeft vorm aan de bescherming en ontwikkeling van het Waddengebied. De gebiedsagenda zet in op integrale kustontwikkeling en benadert de kusten van het Waddengebied als robuuste zones en onderdeel van één samenhangende kuststrook. De Gebiedsagenda Wadden 2050 en het Deltaprogramma Waddengebied hanteren dezelfde leidende principes: bewoners vroegtijdig betrekken bij het onderwerp; een natuurlijke ontwikkeling van de Waddenzee; integrale oplossingen; adaptief werken in een dynamische omgeving. Waar dat mogelijk is, worden kustontwikkeling en dijkversterking gekoppeld. Andere opgaven in de gebiedsagenda zijn: de toename van wateroverlast vanuit de boezem, de versterkte zoutindringing, langere droogteperioden en de temperatuurstijging. In een periodiek te actualiseren Uitvoeringsprogramma bij de Gebiedsagenda Wadden 2050 wordt uitgewerkt hoe de samenwerking met onder meer het Deltaprogramma Waddengebied vorm kan krijgen. Naar verwachting verschijnt het eerste Uitvoeringsprogramma eind 2021.

6.8.3 Signalen en nieuwe inzichten

Proeftuin klimaatadaptief handelen

Begin 2021 vond in Groningen de Klimaatadaptatieweek plaats, parallel aan de Klimaatadaptatietop. De deelnemers van het seminar On the way to the Wadden Adaptation Action deden een breed gedragen oproep aan het Rijk en de deltacommissaris om het Waddengebied als proeftuin voor klimaatadaptief handelen te gebruiken. De inzet moet zijn om de strijd om de schaarse ruimte om te buigen van concurreren naar combineren: kiezen voor integrale oplossingen met meervoudige doelen. Ook werd een oproep gedaan om financiële middelen te ontschotten en de middelen voor het HWBP in te zetten voor een bredere doelstelling, zoals voor veiligheid, regionale economie, natuur en identiteit van het gebied.

Klei onder grasbekleding

Waterschap Noorderzijlvest heeft in 2020 proeven uitgevoerd om de sterkte van klei onder grasbekledingen beter te bepalen. Hieruit blijkt dat de klei sterker is dan eerder gedacht. Dit leidt tot een kleinere veiligheidsopgave en toepassing van harde bekleding is minder vaak nodig. Dat maakt de dijkversterking goedkoper. Behoud van de grasbekleding draagt bovendien bij aan de kwaliteit van de leefomgeving en maakt de waterkering duurzamer en uitbreidbaar. Wetterskip Fryslân krijgt medio 2021 de resultaten van vergelijkbare proeven in Friesland.

Integrale waterveiligheidsstrategie

De Waddeneilanden starten medio 2021 met een gezamenlijk proces om voor ieder Waddeneiland een integrale waterveiligheidsstrategie op te stellen. De eilanden willen hierbij onder meer Rijkswaterstaat, provincie(s), veiligheidsregio en waterschap(pen) betrekken. De integrale strategieën gaan in op de waterveiligheid (primaire waterkeringen met zandsuppletie, dynamisch kustbeheer, kwelderontwikkeling, innovatieve dijkconcepten), een klimaatadaptieve en waterrobuuste ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing. Ook het langetermijn-kustbeheer krijgt een plaats. Het proces start met een analyse van bestaande en voorziene knelpunten per eiland, gebruikmakend van de stresstesten en impactanalyses. Dat levert onder meer een overzicht op van kwetsbare vitale functies in het bedijkte en buitendijks gebied. Met deze informatie werken de partijen geen-spijtbeleid uit en adaptieve plannen om problemen aan te pakken zodra ze zich voordoen. Denk bijvoorbeeld aan voorwaarden voor de aanleg van buitendijkse elektrakasten en een klimaattoets voor bestemmingsplannen/omgevingsplannen.

6.9Hoge Zandgronden

Elke druppel telt op de Hoge Zandgronden. Met een stevig maatregelenpakket pakken de regio's Hoge Zandgronden Oost en Zuid de droogte aan. De nadruk ligt op het vasthouden van water in de bodem. De zoetwaterregio Noord-Nederland heeft voor de tweede fase een maatregelenpakket gereed voor de zandgronden in Noord-Drenthe en de aangrenzende zandgronden in Groningen en Friesland.

6.9.1 Voortgang: uitvoering voorkeursstrategie Hoge Zandgronden

Maatregelen fase 1

Hoge Zandgronden Oost

In 2020 is een groot aantal maatregelen en projecten gerealiseerd. De provincies hebben zich vooral gericht op het verbeteren van de zoetwatervoorziening ten behoeve van natuur, zoals het natuurgebied Deldernerbroek. De waterschappen zetten vooral in op het herinrichten van beekdalen zoals de Buurserbeek, het vasthouden van water in het Aaltens Goor en het afronden van innovatieve projecten zoals de pilot Waterfabriek Wilp. Gemeenten voeren voornamelijk maatregelen uit voor het afkoppelen van verhard oppervlak en het realiseren van groenblauwe structuren in stedelijk gebied. Een voorbeeld is de Stadsbeek in Enschede. Natuurorganisaties richten zich onder meer op het omzetten van naaldbos naar loofbos (zoals bij de Lonnekerberg), het conserveren van water door beekdalen robuust in te richten (zoals in het gebied Ootmaanlanden) en het vasthouden van water door het verondiepen van sloten. Een overzicht van de voortgang van de uitgevoerde projecten op de Hoge Zandgronden Oost is te vinden op een nieuwe website.

Hoge Zandgronden Zuid

De belangrijke pijlers voor zoetwatermaatregelen bij waterschappen in Zuid-Nederland zijn de robuuste inrichting van beekdalen, het instellen van het Gewenste Grond- en Oppervlaktewaterregime (GGOR), het herstellen van natte natuurparels en het optimaliseren van de wateraanvoer. In 2020 heeft Waterschap Aa en Maas het project GGOR Biezenloop opgeleverd. De projecten GGOR Goorloop Snelle Loop, Beekherstel Snelle Loop en het waterschapsbrede project Optimalisatie van meetnetten en datamanagement in Systeem en Keten zijn in uitvoering gegaan. Ook is de Stimuleringsregeling Klimaatactief Bebouwd Gebied uitgebreid. Waterschap De Dommel heeft in 2020 de projecten Oude Strijper Aa, Kleine Beerze en Essche Stroom uitgevoerd, waarbij beekdalen robuust worden ingericht met gronden buiten het natuurnetwerk. Een subsidie­regeling geeft een extra impuls aan concrete waterconser­veringsprojecten van gemeenten. Waterschap Brabantse Delta werkt aan de herinrichting van het Markdal, bovenstrooms van Breda. Ook is een aantal 'altijd-goedmaatregelen' genomen, zoals het automatiseren van stuwen om meer water (bovenstrooms) te kunnen conserveren. Waterschap Limburg heeft in 2020 gewerkt aan het programma voor het optimaliseren van het peil door dynamisch peilbeheer met een slimmere sturing in het watersysteem. De beekherstelprojecten herinrichting Loobeek, Venrays Broek en de Spurkt en de herinrichting Kanjel en Gelei zijn in uitvoering. In Zuid-Limburg zijn regenwaterbuffers vergroot en maatregelen genomen ten behoeve van een klimaatadaptief watersysteem voor bebouwing en infrastructuur. In Gulpen is het Centrumplan afgerond. Dit is een onderdeel van de robuuste herinrichting van het beekdal van de Gulp, door aanpassing van het doorstroomprofiel. Het project Oude Geulmeander is geheel afgerond.

Extra impuls Deltafonds

In 2019 kregen de regio's Oost en Zuid ieder een extra impuls van € 2 miljoen uit het Deltafonds. Dit bedrag wordt voornamelijk besteed aan groenblauwe structuren in het stedelijk gebied en in Zuid ook aan waterconservering op landbouwbedrijven. Voorbeelden van inmiddels uitgevoerde projecten in Oost zijn Crescent Park in Harderwijk, een cisterne in Apeldoorn, de Stadsweide in Oldenzaal en een blauwe ader en groene inrichting voor het Centrumplan Didam. Voorbeelden in Zuid zijn De Waterpoort ('s-Hertogenbosch), Sloot Gentiaan (Son en Breugel), Wel goed water blijven geven (door ZLTO en waterschappen) en stedelijke waterprojecten (Weert, Heerlen, Beek, Nederweert en Sittard-Geleen). Daarnaast investeren de twee regio's samen in droogte-onderzoek.

Maatregelen fase 2

Zoetwaterstrategie

De zoetwaterregio's Hoge Zandgronden Oost en Zuid hebben in 2020 - samen met de werkregio's voor ruimtelijke adaptatie - een 'ambitie en strategiedocument' voor fase 2 van het Deltaplan Zoetwater gemaakt. Er is een transitie nodig in het huidige watersysteem, zodat watervraag en -aanbod beter in balans komen. De nadruk moet liggen op het vasthouden van water in de bodem, in plaats van op het afvoeren van water. Ook in de ruimtelijke inrichting zijn maatregelen nodig om de waterbeschikbaarheid te vergroten.

Bij deze transitie naar een systeem dat water vasthoudt in het grondwatersysteem, is beheer van de grondwatervoorraden en grondwaterstanden onmisbaar. Een belangrijk deel van de nieuwe maatregelen is daarom gericht op het aanvullen van grondwatervoorraden.

Maatregelenpakket fase 2

De voorgenomen maatregelen voor de periode 2022-2027 zijn opgenomen in werkprogramma's voor de regio's Oost en Zuid en in het programma zandgronden Noord-Nederland* (zie ook Programmatische aanpak). Het aanpassen van het watersysteem gebeurt op diverse manieren: het nemen van fysieke maatregelen in het hoofdwatersysteem (beken, kanalen en andere hoofdwatergangen), maatregelen in het detailwatersysteem (kleinere waterlopen, sloten en greppels) en het aanleggen van infiltratievoorzieningen om water op te vangen en in de bodem te laten zakken, in zowel het landelijk als het stedelijk gebied. Efficiënter gebruik van water kan tot stand komen door het besparen van water met 'watergeefsystemen', het verbeteren van de bodemstructuur en hergebruik van water. Soms is het nodig om het landgebruik aan te passen. In dat geval worden de mogelijkheden verkend in een gezamenlijk gebiedsproces. De maatregelenpakketten voor de regio's zijn kosteneffectief; dit blijkt uit de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA).

Programmatische aanpak

Om de ambitie voor een klimaatrobuuste regio Hoge Zandgronden in 2050 te realiseren, zijn samenhangende, fijnmazige maatregelen nodig. In de regio's werken in een programmatische aanpak een groot aantal partners samen: provincies, waterschappen, gemeenten, natuurorganisaties, landbouw en drinkwatermaatschappijen. Iedere partner neemt maatregelen, passend bij de eigen rol en verantwoordelijkheid.

De programmatische aanpak is opgedeeld in planperioden van zes jaar en volgt het ritme van het Deltaprogramma. Voor iedere planperiode wordt een werkprogramma gemaakt, in overleg met betrokken overheden en maatschappelijke organisaties. Hierin staan de voorgenomen investeringen, gekoppeld aan het type maatregelen en een indicatie van de omvang (arealen/lengte/aantal). In 2021 zijn de werkprogramma's van de regio's vastgesteld. De concrete maatregelen worden gebiedsgericht ontwikkeld en uitgevoerd. Als geplande projecten in een bepaalde plan­periode onverhoopt vertraging oplopen, kunnen projecten uit een toekomstige planperiode naar voren worden gehaald. Zo blijft de vaart erin.

Maatregelen Hoge Zandgronden Oost

Op 3 december 2020 is het maatregelenpakket voor de fase 2 vastgesteld door het Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO). Dit pakket levert een zo groot en structureel mogelijke bijdrage aan de zoetwaterbeschikbaarheid en biedt tegelijker­tijd alle betrokkenen de mogelijkheid om deel te nemen. De gekozen maatregelen zijn:

  • flexibel peilbeheer in het hoofdwatersysteem van de regionale waterbeheerders;
  • beekherstel en herprofilering van leggerwaterlopen;
  • regelbare- en onderwaterdrainage;
  • verminderen van lokale ontwatering en waterafvoer;
  • afkoppelen verhard oppervlak naar bergings- of infiltratievoorziening;
  • verbeteren bodemstructuur;
  • gerichte watergeefsystemen;
  • bedrijfsgerichte stimuleringsplannen;
  • aanpassing grondgebruik: functie veranderen in ruimte voor water;
  • naaldbos omzetten in heide of loofbos.

Maatregelen Hoge Zandgronden Zuid

In de periode 2022-2027 ligt de nadruk op het aanvullen van grondwatervoorraden, door middel van drie categorieën maatregelen: efficiënt watergebruik, een robuust watersysteem en ruimtelijke adaptatie. De maatregelen om het watersysteem aan te passen betreffen vooral fysieke maatregelen in het hoofdwatersysteem, detailwatergangen en infiltratievoorzieningen. Efficiënter gebruik van water komt tot stand door het besparen van water met 'watergeefsystemen', het verbeteren van de bodemstructuur en hergebruik van water. In sommige gevallen kunnen het watersysteem en het watergebruik alleen worden aangepast door ook het landgebruik te veranderen. De mogelijkheden hiervoor worden dan verkend in een gezamenlijk gebiedsproces.

Alle partijen in het Deltaplan Hoge Zandgronden hebben in beeld gebracht welke type maatregelen ze willen uitvoeren in de periode 2022-2027 en in welke omvang. Hierbij hanteren de regio's Oost, Zuid en Noord dezelfde systematiek en typen maatregelen.

Op initiatief van de Franse organisatie EPAMA en Waterschap Aa en Maas proberen diverse partijen in het internationale Maasstroomgebied samen een Interreg-project op te zetten op het gebied van klimaatadaptatie. Hierin moet speciale aandacht komen voor laagwater, met grensoverschrijdende projecten. De volgende Nederlandse partijen zijn hierbij betrokken: RBO Maas, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Rijkswaterstaat en diverse drinkwaterbedrijven.

Maatregelen Hoge Zandgronden Noord

De Zoetwaterregio Noord-Nederland is ten behoeve van fase 2 gestart met een programma voor de zandgronden in Noord-Drenthe en de aangrenzende zandgronden in Groningen en Friesland. De uitgangspunten voor het programma zijn identiek aan die van de regio's Oost en Zuid en gaan uit van een programmatische aanpak voor een klimaatrobuuste inrichting in 2050: er is een transitie nodig van het huidige watersysteem, zodat watervraag en -aanbod beter in balans komen. De nadruk moet liggen op het vasthouden van water in de bodem, in plaats van op het afvoeren van water. Ook in de ruimtelijke inrichting zijn maatregelen nodig om de waterbeschikbaarheid te vergroten.

In 2020 is op dezelfde methodologische wijze als in de regio's Oost en Zuid een maatregelen-pakket opgesteld op basis van een inventarisatie. De inventarisatie heeft geresulteerd in een identieke groslijst van maatmaat­regelen. Net als in de regio's Oost en Zuid werkt ook hier een groot aantal partners samen: provincies, waterschappen, gemeenten, en landbouw. Iedere partner neemt maatregelen, passend bij de eigen rol en verantwoordelijkheid.

De gekozen maatregelen zijn:

  • beekherstel en herprofilering van leggerwaterlopen;
  • regelbare- en onderwaterdrainage;
  • verminderen van lokale ontwatering en waterafvoer;
  • herinrichting stedelijk gebied;
  • verbeteren bodemstructuur;
  • gerichte watergeefsystemen;
  • bedrijfsgerichte stimuleringsplannen;
  • aanpassing grondgebruik: functie veranderen in ruimte voor water;
  • gebiedsgericht werken aan het vasthouden van zoetwater en/of het zuinig omgaan met water met alle belanghebbenden.
Waterbeschikbaarheid

In 2021 presenteren de Hoge Zandgronden een gebieds­dekkend beeld van waterbeschikbaarheid.

6.9.2 Acties voor verbinding met andere opgaven en transities

De aanpak van zoetwateropgaven door de regio's Oost en Zuid kenmerkt zich door een gebiedsgerichte werkwijze. Uitvoering van maatregelen gaat vrijwel altijd samen met het realiseren van maatregelen voor andere opgaven.

Koppeling met Deltaplan Agrarisch Waterbeheer

Op landbouwgebied is sprake van een koppeling tussen het Deltaprogramma Zoetwater en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Voorbeelden van projecten zijn: Vruchtbare Kringloop, Boeren voor Drinkwater 2.0, Agenda van 't Klooster en een Proef Onderwaterdrainage. In dat kader hebben inmiddels verschillende agrariërs maatregelen getroffen op hun percelen, zoals peilgestuurde drainage en het verbeteren van de bodemstructuur.

Meer ruimte voor water

In de langetermijnprogrammering tot 2050 is toenemende aandacht voor het realiseren van meer ruimte voor water. Het robuust maken van watersystemen vereist verschuivingen in het grondgebruik. Het waterbeheer is nu nog overwegend dienend aan de gebruiksfuncties. Uitgangspunt voor toekomstbestendige zoetwatervoorziening is dat bij de toedeling van watervragende functies aan gebieden rekening wordt gehouden met de waterbeschikbaarheid in die gebieden.

Prioritaire gebieden

In de werkprogramma's van de regio's Oost en Zuid zijn prioritaire gebieden aangewezen (zie Achtergronddocument D). In deze gebieden wordt een groot deel van de voorgenomen zoetwatermaatregelen uitgevoerd. Dit gebeurt via gebiedsgerichte en integrale projecten, waarbij rekening wordt gehouden met andere opgaven en transities zoals biodiversiteit, circulaire landbouw en klimaatadaptatie. De regionale Omgevingsagenda Zuid maakt eveneens gebruik van de prioritaire gebieden uit het Werkplan Hoge Zandgronden 2022-2027 (regio Zuid). Het betreft de opgaven in het waterdomein: waterbeschikbaarheid en droogte.

Op advies van de Beleidstafel Droogte heeft het RBO Rijn-Oost een gezamenlijke grondwateragenda vastgesteld, met vijf aanbevelingen voor duurzaam grondwatervoorraadbeheer. De agenda vormt het startpunt voor een integrale bestuurlijke discussie over de uitvoering van maatregelen die de waterbeschikbaarheid en veerkracht van het watersystemen vergroten. In de regio Zuid wordt de grond­wateragenda opgepakt door de twee provincies, in overleg met de andere betrokken overheden en maatschappelijke organisaties. In de provincie Noord-Brabant is voor deze afstemming het Breed Bestuurlijk Grondoverleg ingesteld.

6.9.3 Signalen en nieuwe inzichten

Uitvoering in de knel

De komende jaren komt een grote hoeveelheid opgaven en transities samen in gebiedsgerichte processen en uitvoering: aanpak van de stikstofproblematiek, klimaatadaptatie, energietransitie en de bossenstrategie. Dit kan leiden tot knelpunten in de regionale uitvoeringskracht. Regio en Rijk moeten hiervoor gezamenlijk oplossingen vinden, om te voorkomen dat de uitvoering stagneert. Het gaat onder meer om adequate - bestuurlijke – samenwerkingsverbanden op regioniveau, voldoende uitvoeringscapaciteit en de juiste instrumentenmix.

Grondige transitie nodig

Het onderzoek 'Droogte in zandgebieden van Zuid-, Midden- en Oost-Nederland' bevestigt dat de Hoge Zandgronden het in de toekomst niet redden met het optimaliseren van het watersysteem en dat een grondige transitie noodzakelijk is. De Hoge Zandgronden zetten daarom in op voorraadbeheer van grondwater.

Ruimte creëren

Structureel moet meer ruimte voor water worden gereserveerd om grondwaterstanden te kunnen verhogen en piekafvoeren te kunnen opvangen. Dit is een forse uitdaging - organisatorisch, financieel, bestuurlijk én communicatief. Deze uitdaging kan niet alleen vanuit het waterdomein worden gerealiseerd; vaak zijn andere opgaven of transities in stedelijk en landelijk gebied richtinggevend voor de uitvoering op korte termijn. Voor een deel komt de benodigde ruimte beschikbaar via grondverwerving. Voor een aanzienlijk deel moet ruimte ontstaan door multi­functioneel ruimtegebruik. Regionaal staan deze onderwerpen hoog op de agenda. Waar nodig zal hierover overleg plaatsvinden met rijkspartijen.

Nieuw onderzoeksprogramma

Het Kennisprogramma Lumbricus heeft inzichten over een klimaatrobuust bodem- en watersysteem opgeleverd voor fase 2 van het Deltaplan Zoetwater. Het is nu duidelijker wat de bijdrage kan zijn van het verbeteren van de bodemkwaliteit en het toepassen van klimaatadaptieve drainage aan de zoetwatervoorziening. Nog niet alle vragen zijn beantwoord. Daarom hebben dezelfde partijen het onderzoeksprogramma KLIMAP (klimaatadaptatie in de praktijk) opgezet. De opzet van dit programma is vergelijkbaar met Lumbricus en bestaat uit verschillende sporen: proeftuinen, toekomstverkenningen en adaptatiepaden.